Skip to main content
SearchLoginLogin or Signup

2. Voorspelbaar Irrationeel: Een overzicht van veel voorkomende denkfouten

Published onJul 21, 2022
2. Voorspelbaar Irrationeel: Een overzicht van veel voorkomende denkfouten
·

Wat is kritisch denken (niet)?

De term ‘kritisch denken’ wordt vaak gebruikt, maar het is niet altijd duidelijk wat men ermee bedoelt. Dus, wat is kritisch denken? Kritisch denken is in de eerste plaats rationeel denken. Het heeft als doel om tot gerechtvaardigde overtuigingen te komen (overtuigingen waarvan we mogen aannemen dat ze waar zijn) door het systematisch analyseren van de manier waarop overtuigingen tot stand zijn gekomen. Met andere woorden, kritisch denken houdt in dat we het beoordelen van de betrouwbaarheid van overtuigingen koppelen aan een reflectie over hoe die overtuigingen tot stand zijn gekomen. Verder is kritisch denken ook autonoom denken. Een kritische denker neemt overtuigingen niet zomaar over simpelweg omdat ze deel uitmaken van een culturele traditie of geuit worden door een autoriteitsfiguur. Kritisch denken is dus rationeel (i.t.t. intuïtief en/of emotioneel) en autonoom (i.t.t. zich beroepend op traditie en/of autoriteit) tot besluiten komen.

Wat is kritisch denken niet? Kritisch denken is niet ‘negatief’ denken. Het is er niet op gericht elke bewering onderuit te halen. Kritisch denken houdt ook niet in dat we alles consequent en blijvend in vraag stellen. Het leidt niet tot scepticisme, de positie waarin men elk oordeel opschort door enkel ‘te weten dat men niet weet’. Kritisch denken is ook niet intelligent of creatief denken. Soms leidt intelligent denken tot heel onkritische overtuigingen (denk bijvoorbeeld aan vernuftige complottheorieën). Tenslotte is kritisch denken ook niet zomaar te vereenzelvigen met goed geïnformeerd denken. Goed geïnformeerd zijn is een noodzakelijke voorwaarde om tot gerechtvaardigde overtuigingen te komen – zonder goede informatie kunnen we niet tot gerechtvaardigde overtuigingen komen – maar geen voldoende voorwaarde – met goede informatie kunnen we nog steeds tot ongerechtvaardigde conclusies komen. We kunnen juiste informatie immers foutief interpreteren.

Het doel van kritisch denken

Kritisch denken heeft als doel om zin van onzin, goede redeneringen van slechte en betrouwbaar van onbetrouwbaar denken te onderscheiden. Om dat te doen, moeten we ons richten op de bron van het denken: ons denkapparaat. Door inzicht te krijgen in ons eigen denken, kunnen we de betrouwbaarheid van de producten van dat denken beter inschatten en evalueren. Het is belangrijk om te beseffen dat we niet geboren zijn met het vermogen tot kritisch denken. Kritisch denken moeten we leren. Sterker nog, kritisch denken gaat veelal in tegen onze spontane manier van denken. We moeten dus constant op onze hoede zijn voor denkfouten.

Niemand – hoe intelligent die ook mag zijn – is immuun voor irrationeel denken. Integendeel, soms zijn intelligente personen zelfs extra vatbaar voor irrationele overtuigingen, omdat ze beter in staat zijn die opvattingen te verdedigen tegen weerleggingen. Een goed voorbeeld hiervan is Sir Arthur Conan Doyle, de auteur van de Sherlock Holmes detectiveverhalen, die – ironisch genoeg – in tegenstelling tot de heel kritisch ingestelde held van zijn boeken, door getrukeerde foto’s van twee jonge meisjes overtuigd was dat toverfeeën echt bestaan. Doyle zou het bestaan van feeën tegen Jan en alleman verdedigen en complexe argumenten geven voor het bestaan van een bovennatuurlijke werkelijkheid.

Het nut van kritisch denken

Alvorens het te hebben over hoe en waarom onze geest ons om de tuin leidt en hoe we ons daartegen kunnen wapenen, rest er ons nog één belangrijke vraag: waarom moeten we kritisch denken? Wat is het nut van kritisch denken? Kritisch denken is niet een louter intellectuele oefening. Het heeft een reële en belangrijke impact op ons dagelijks leven. Elke dag nemen we immers tal van beslissingen. Van eerder triviale beslissingen over wat we die dag zullen eten en of we al dan niet die nieuwe smartphone zullen kopen, tot meer ingrijpende beslissingen zoals onze studiekeuze aan de universiteit en de professionele loopbaan die we uitbouwen. We maken deze beslissingen op basis van informatie. Informatie over de voedingswaarde/prijs /smaak van voedingsproducten, over de prijs/kwaliteit van die nieuwe smartphone, over de inhoud van de studierichting en de professionele mogelijkheden dat het biedt en over het beroep dat we ambiëren.

Dat is een relatief nieuw gegeven in de geschiedenis van de mensheid. Nooit eerder hebben we zoveel beslissingen kunnen of moeten nemen als vandaag. Het feit dat we actief beslissen welke professionele loopbaan we bewandelen, met wie we trouwen, hoeveel kinderen we willen, waar we wonen, en wat we consumeren is nieuw voor de mens. Voor een Middeleeuwer stonden al deze zaken vast: hij of zij deed wat zijn of haar vader of moeder deed, werd uitgehuwelijkt, deed niet aan gezinsplanning, woonde in zijn of haar geboortedorp en consumeerde wat er voorhanden was (gegeven zijn of haar sociale klasse). Het leven stond vast nog voor dat het begon. Vandaag, in moderne samenlevingen althans, is dat niet langer het geval.

Dat heeft als gevolg dat we nog nooit zo afhankelijk waren van informatie als vandaag. En aan informatie is er geen gebrek: we worden ermee overspoeld. Het internet en andere media bombarderen ons dagelijks met een eindeloze stroom aan informatie. Het probleem, echter, is dat niet alle informatie even betrouwbaar is én dat we geen betrouwbaarheidsinschatting krijgen bij de flarden informatie die ons bereiken. De betrouwbaarheid ervan moeten we zelf achterhalen.

Inmiddels zijn we er allemaal wel aan uit dat de email van een obscure multimiljonair die ons een reusachtige som belooft niet echt betrouwbaar is. Toch gaat zoveel waninformatie nog steeds ‘viraal’. Zo loop het internet over van ongefundeerde gezondheidswaarschuwingen tegen bijvoorbeeld het gebruik van magnetronovens of mobiele telefoons. Er wordt ons ook constant gezondheidsadvies om de oren geslingerd dat lang niet altijd even betrouwbaar is. Van de schreeuwerige reclames voor de zoveelste detoxkuur die ons op slag tien jaar doet verjongen, tot de ‘superfoods’ waarvan we niet genoeg kunnen eten en – veel ingrijpender – de volstrekt ongefundeerde alarmistische claims die over covid- en andere vaccins de ronde doen. Grote claims zijn het, maar daartegenover staan vaak geen, of bijzonder gebrekkige, bewijzen. Onzin is van alle tijden, maar de portie onzin die we vandaag op ons bord krijgen is nog nooit zo groot geweest.

Verder reist onzin zelden alleen: overtuigingen hangen aan elkaar. Ons wereldbeeld vormt immers een complex web waarin onze opvattingen met elkaar verweven zijn en op elkaar inhaken. We slaan niet zomaar losse stukken informatie op. In ons brein hangt informatie min of meer aaneen. We willen namelijk een coherent wereldbeeld vormen, niet een eclectisch amalgaam aan flarden van kennis (Boudry, 2016). De keerzijde van deze medaille is dat illusies of irrationele en foutieve opvattingen de neiging hebben zich te vertakken in ons denken. Onzin brengt dus meer onzin voort. Wie in de voorspellende kracht van astrologie gelooft, zal ook een stuk vatbaarder zijn voor andere illusies zoals het bestaan van mediums, helderzienden, en pseudowetenschappelijke gezondheidzorg zoals ‘energy healing’.

De hardnekkigheid van onzin

Onzin, zoals reeds aangegeven, is van alle tijden. Elk tijdperk en elke cultuur heeft haar irrationale opvattingen. Het is opmerkelijk dat voor een buitenstaander deze opvattingen doorgaans vreemd en soms zelfs volledig absurd lijken, maar dat de mensen binnen de groep die deze opvattingen aanhouden zich meestal niet bewust zijn van het bizarre karakter van hun overtuigingen. Echt ver moeten we niet teruggaan in onze geschiedenis om absurde overtuigingen tegen te komen. In de 18de eeuw geloofde een groot deel van de bevolking in hekserij, in het feit dat een Engelse vrouw, Mary Toft, konijnen had gebaard, en dat er recepten bestonden om niet enkel goud (alchemie) maar ook levende dieren te vervaardigen (bijvoorbeeld een schorpioen, door basilicum tussen twee stenen te plaatsen en in de zon te laten opwarmen).

Van buitenaf lijken die opvattingen uitermate vreemd en lijkt het onbegrijpelijk dat een groot deel van de bevolking daar geloof aan hechtte. Maar zo verschillend zijn onze eigentijdse illusies niet. We hebben uiteraard een grote afstand afgelegde sinds de 18de eeuw, voornamelijk dankzij de ontwikkeling van de moderne wetenschappen, maar we hebben ons zeker niet ontdaan van alle illusies. Hoe zou iemand uit de 23ste eeuw terugblikken op ons wijdverbreid bijgeloof (compulsief op hout kloppen om geluk af te dwingen, de neiging van sportmensen om dezelfde kousen – al dan niet gewassen – aan te trekken waarmee ze ooit een wedstrijd gewonnen hebben, of het feit dat vele hotels geen kamer 13 hebben)? En wat zou die vinden van het populaire geloof dat een week lang overleven op zogenaamde ‘detox’ sapjes en thee ons lichaam zuivert van giftige stoffen (welke stoffen dit betreft, wordt meestal niet gespecifieerd), en dat een etherisch, oppermachtig wezen zich voor een korte periode in een menselijk lichaam incarneerde zo’n 2000 jaar geleden?

Het feit dat illusies vervat zijn in een coherent wereldbeeld en van binnenuit niet zo vreemd lijken, maakt het enkel moeilijker ze te ontmaskeren. Het probleem is ook dat we met onze intuïtie of met ons gezond verstand, misschien wel de meest buitenissige beweringen kunnen ontmaskeren, maar zeker niet aan alle illusies ontkomen. Integendeel: irrationaliteit komt vaak voort uit ons intuïtief of spontaan denken. Normaal denken leidt ons, met andere woorden, om de tuin. We tuimelen van de ene cognitieve valkuil in de andere. Het maakt ons ‘voorspelbaar irrationeel’, zoals de gedragseconoom Dan (Ariely, 2008) het gevat beschrijft.

Drie vuistregels

Toch zijn we niet machteloos. We kunnen in de meeste gevallen illusies ontmaskeren door een aantal vuistregels te hanteren om de betrouwbaarheid van een bewering in te schatten (Braeckman, 2017). De eerste vuistregel bestaat erin om een bewering niet zomaar aan te nemen omdat ze plausibel klinkt. Het feit dat een bewering plausibel klinkt is namelijk geen garantie voor het feit dat die bewering ook met de werkelijkheid strookt (onze intuïtie kan zoals gezegd misleidend zijn). Een ‘snapgevoel’ hebben, zo beargumenteren De Regt & Dooremalen (2015), is geen garantie dat je het ook bij het rechte eind hebt. Daarom moeten we, in de mate van het mogelijke, afgaan op externe (niet psychologische) ondersteuning voor beweringen. Wordt de bewering gestaafd door feiten? Komt ze voort uit een betrouwbare bron?

De hoeveelheid externe ondersteuning die we nodig achten voor een bewering hangt uiteraard af van de bewering zelf. Buitengewone beweringen moeten gestaafd worden door buitengewoon sterke bewijzen. Foto’s van elven, van het monster van lochness, de ‘yeti’ of ‘bigfoot’ zijn niet sterk genoeg als bewijsvorm om hun bestaan daarmee aan te nemen. Hieraan gekoppeld is de kwestie van de bewijslast. Wie met beweringen over paranormale activiteiten komt aandraven, moet daar bewijs voor leveren, en niet omgekeerd (nota bene, ondanks grote geldprijzen die beloofd worden door sceptici aan degene die paranormale gaven sluitend kan aantonen, is nog niemand daarin geslaagd). Zo’n theorieën zijn niet ‘onschuldig tot bewijs van schuld’. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld alternatieve geneeskunde, complottheorieën en andere overtuigingen die ingaan tegen de gangbare wetenschappelijk onderbouwde consensus (De Regt & Dooremalen, 2008). Want voor die consensus is reeds een grote hoeveelheid bewijs verzameld en die consensus is er gekomen door een betrouwbaar proces. Dus als iemand die consensus wil weerleggen, dan moet die met sterk tegenbewijs komen.

Ten tweede moeten we ‘Ockhams scheermes’ toepassen. Ockham (een Engelse filosoof uit de 14de eeuw) leert ons dat de meest economische of spaarzame verklaring vaak de beste is. Een dergelijke verklaring roept niet veel nieuwe vragen op, die op hun beurt weer om een verklaring vragen (waardoor de verklaring minder waarschijnlijk zou worden). Denk bijvoorbeeld aan graancirkels. Sommige mensen geloven dat deze gemaakt worden door buitenaardse wezens. Een andere verklaring is uiteraard dat het om een ‘hoax’ gaat – opgezet spel (door mensen). De eerste mogelijkheid verkiezen roept een hele reeks andere vragen op die ook een verklaring nodig hebben: hoe zijn die buitenaardse wezens hier herhaaldelijk onopgemerkt geraakt, waarom zoeken ze geen contact, waarom maken ze voornamelijk graancirkels in de Verenigde Staten, enzovoort? De meest economische verklaring, uiteraard, is dat de cirkels gemaakt zijn door mensen met een humoristische inslag.

Tenslotte moeten we op onze hoede zijn voor een aantal ‘cognitieve valkuilen’. Ons denken is standaard uitgerust met deze valkuilen. Iedereen is er dan ook vatbaar voor. In dit boek zullen we die valkuilen identificeren, hun oorsprong verklaren en aangeven hoe we ons ertegen kunnen wapenen. Cognitieve illusies zijn in deze zin te vergelijken met perceptuele illusies. Ze zijn systematisch, blijvend en universeel. Systematisch, omdat ze ons denken altijd op dezelfde manier vervormen. De illusies die we aanhouden en de denkfouten die we maken zijn, ondanks culturele verschillen, steevast variaties op dezelfde thema’s. Cognitieve illusies zijn ook blijvend, net zoals perceptuele illusies. Denk hier bijvoorbeeld aan de Müller-Lyer illusie, zoals hieronder afgebeeld:

Afbeelding van de Müller-Lyer illusie: twee even lange balken die boven elkaar staan, beiden met driehoekige pijlen aan de uiteinden, de bovenste heeft punten die van die balk af wijzen en de onderste heeft pijlen die naar de balk wijzen, waardoor de laatste langer lijkt

Zelfs wanneer we zeker dat de twee strepen even lang zijn (na ze, bijvoorbeeld, gemeten te hebben) en begrijpen we dat we te maken hebben met een illusie, toch kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat de onderste streep langer is dan de bovenste. Hetzelfde geldt voor cognitieve illusies of denkfouten (in het Engels ook wel ‘biases’ genoemd). Zelfs al zijn we ons bewust van de cognitieve valkuilen die tot illusies leiden, toch blijven we geneigd om dezelfde denkfouten te maken. Tenslotte zijn illusies universeel. Elk normaal menselijk brein is vatbaar voor dezelfde denkfouten en cognitieve illusies (net zoals elke mens met normaal werkende zintuigen vatbaar is voor dezelfde perceptuele illusies). De eerste stap tot kritisch denken bestaat er dus in om de cognitieve valkuilen of denkfouten te ontmaskeren die leiden tot illusies of irrationele overtuigingen.

Voorspelbaar irrationeel

Om kritisch te leren denken, moeten we er allereerst bewust van worden dat ons spontaan denken ons op een voorspelbare manier om de tuin leidt. De beste manier om dat voor elkaar te krijgen is aan de hand van een aantal vraagstukken. Deze vraagstukken tonen ons in welke contexten en op welke manier ons spontaan denken misleidend is. Probeer alvorens naar het antwoord te kijken, het eerste antwoord dat in je opkomt te formuleren en denk vervolgens na over waarom dit antwoord fout zou kunnen zijn.

Vraagstuk 1: Het ‘Linda’ probleem

Linda is 31 jaar oud, alleenstaand, openhartig en heel intelligent. Ze heeft een diploma filosofie op zak. Als studente was ze heel erg begaan met kwesties van discriminatie en sociale rechtvaardigheid en nam ze ook deel aan antinucleaire betogingen.

Welke van de twee alternatieven is het meest waarschijnlijk?

  1. Linda is een bank bediende.

  2. Linda is een bank bediende en is actief in de feministische beweging.

(Tversky & Kahneman, 1983)

Het antwoord is 1. Als we logisch nadenken zien we in dat bewering 2 niet waarschijnlijker kan zijn dan bewering 1, aangezien 2 een deelverzameling is van 1. In een studie van de psychologen (Tversky & Kahneman, 1983) bleek dat 85% van de ondervraagden bewering 2 als antwoord geeft. De reden hiervoor is dat bewering 2 beter past bij de beschrijving van Linda, maar statistisch gezien kan 2 nooit waarschijnlijker zijn dan 1. Intuïtief zijn we heel slecht in kansberekening ontdekten Kahneman en Tversky, en dit blijkt ook uit de volgende vraagstukken.

Vraagstuk 2: De ‘base rate fallacy’

Maarten is een alleenstaande man van 45. Hij is introvert en leest heel graag. Wat is waarschijnlijker: Maarten is een bibliothecaris (A) of Maarten is een verkoper (B)?

(Raiffa, 2002)

Het antwoord is B en de reden daarvoor is dat er veel meer verkopers zijn dan bibliothecarissen (ongeveer 100 keer meer). Daarom is het ondanks de karakterbeschrijving van Maarten, nog altijd veel waarschijnlijker dat hij verkoper is. Het gegeven dat er veel meer verkopers dan bibliothecarissen zijn niet in rekenschap brengen is een voorbeeld van de ‘base rate fallacy’ of ‘base rate blindness’. De ‘base rate’ verwijst naar de voorafgaande kans of waarschijnlijkheid (‘probability’). In dit voorbeeld is de ‘base rate’ het aantal bibliothecarissen in de wereld gedeeld door het aantal verkopers, dus 1 op 100. Dat cijfer moeten we ook in rekenschap brengen, niet enkel Maartens karakterbeschrijving.

Vraagstuk 3: De ‘base rate fallacy’

1 persoon op 10 000 lijdt aan een zeldzame, dodelijke ziekte. Een dokter ontwikkelt een test om de ziekte te detecteren. De test detecteert de ziekte bij 99,5% van de mensen die de ziekte hebben. Aangezien de test goedkoop is en heel accuraat beslist de regering om iedereen gratis te laten testen. Jouw test komt positief terug. Wat is de kans dat je aan de ziekte lijdt?

(Kahneman & Tversky, 1985).

De meesten antwoorden hier 99,5%. Dat is fout. De waarschijnlijkheid dat de test positief is indien je de ziekte hebt (die 99,5%) is niet gelijk aan de waarschijnlijkheid dat je de ziekte hebt indien de test positief is. Dat cijfer ligt veel lager. Het is slechts 2%, want de base rate moet ook in rekening gebracht worden: slechts 1 op 10 000 lijdt aan de ziekte. De kans bij een positieve test dat het een vals positief is (0,5%) is veel groter (50 maal groter – vandaar die 2%) dan dat je tot de groep zieken behoort (0.01%).

Vraagstuk 4: Het verjaardagsprobleem

Uit hoeveel mensen moet een groep bestaan opdat de kans dat er twee mensen dezelfde verjaardag hebben groter is dan de kans dat dit niet het geval is?1

Het verrassende antwoord is 23. Bij een groep van 57 mensen is de kans al tot 99% toegenomen! Een statistische berekening toont dit aan, maar intuïtief denken we dat het aantal veel hoger ligt. (Voor de berekening – zie bron hierboven).

Vraagstuk 5: Exponentieel denken

Elke dag verdubbelt een lelie van omvang. Na 40 dagen bedekt het de hele vijver, wanneer bedekt het de helft van de vijver?

Na 39 dagen (niet na 20 dagen zoals we soms geneigd zijn onmiddellijk te antwoorden, omdat we lineair en niet exponentieel redeneren).

Vraagstuk 6: Exponentieel denken

Stel dat je een blad papier van 0,1 millimeter dik onbeperkt kunt vouwen. Hoeveel keer moet je het vouwen opdat de dikte van het blad tot aan de maan rijkt (zo’n 385 000 km)? (Door het eenmaal te vouwen krijg je een dikte van 0,2 mm, tweemaal vouwen een dikte van 0,4 mm, enz.).

keer! Dat cijfer lijkt absurd laag en dat komt omdat we exponentiële groei onderschatten.2

# Vouwen

Dikte (mm)

0

0.10

1

0.20

2

0.40

3

0.80

4

1.60

5

3.20

6

6.40

7

12.80

8

25.60

9

51.20

10

102.40

11

204.80

12

409.60

13

819.20

14

1,638.40

15

3,276.80

16

6,553.60

17

13,107.20

18

26,214.40

19

52,428.80

20

104,857.60

21

209,715.20

22

419,430.40

23

838,860.80

24

1,677,721.6

25

3,355,443.2

26

6,710,886.4

27

13,421,773

28

26,843,546

29

53,687,091

30

107,374,182

31

214,748,365

32

429,496,730

33

858,993,459

34

1,717,986,918

35

3,435,973,837

36

6,871,947,674

37

13,743,895,347

38

27,487,790,694

39

54,975,581,389

40

109,951,162,778

41

219,902,325,555

42

439,804,651,110

Zo’n exponentiele redeneerfout werd vaak gemaakt aan het begin van de covid-19 pandemie. Wanneer het reproductiegetal boven de 1 was (en elke besmette persoon dus gemiddeld meer dan 1 andere persoon besmet) maar er nog niet zo heel veel besmettingen waren, dachten velen (inclusief sommige beleidsmakers) – ten onrechte – dat de situatie onder controle was en het wel zo’n vaart niet zou lopen. Maar bij een reproductiegetal boven de 1, krijg je een exponentiele groei van het aantal besmette mensen. Om de zoveel tijd verdubbelt het aantal besmetten. Dan – zo hebben we meerdere malen gemerkt – loopt het aantal besmettingen plots heel snel op.

Vraagstuk 7: De ‘availability bias’

Welke kans is groter, dat je sterft door een haaiaanval of doordat je geraakt wordt door een losgekomen onderdeel van een vliegtuig?

(Tversky & Kahneman, 1973)

In de Verenigde Staten is de kans 30 maal groter dat je door een losgekomen onderdeel van een vliegtuig sterft dan door een haaiaanval, maar aangezien haaiaanvallen veel meer media-aandacht krijgen (en meer tot de verbeelding spreken) zijn we geneigd het tweede te denken. Dat staat gekend als de ‘availability bias’. We overschatten de waarschijnlijkheid dat iets zich zal voordoen wanneer het gemakkelijk voor de geest te halen is (zie appendix).

Vraagstuk 8: De ‘availability bias’

Waarvan zijn er meer Engelse woorden? Woorden die beginnen met een R of woorden die R als derde letter hebben?

(Tversky & Kahneman, 1973)

Blijkbaar zijn er veel meer woorden met R als derde letter dan als eerste letter. We zijn geneigd het eerste te denken omdat het gemakkelijker is woorden voor de geest te halen die beginnen met een R dan woorden die R als derde letter hebben. Ook hier speelt de ‘availability bias’ een rol.

Vraagstuk 9: De ‘availability bias’

Wat is de kans dat een start-up slaagt?

Het slagingspercentage ligt rond de 10%. We zijn geneigd dit aantal hoger in te schatten omdat we veel meer horen over geslaagde start-ups dan gefaalde ondernemingen. Dit staat gekend als de ‘survival bias’ en is een vorm van availability bias.3

Een manier waarop we ten prooi vallen aan de availability bias is door de lotto te spelen. Doordat winnaars geregeld in de media verschijnen lijkt het alsof de kans om te winnen reëel is terwijl die kans in feite verwaarloosbaar klein is. De kans in Vlaanderen ligt rond de 1 op 8 miljoen. Aangezien er in Vlaanderen een zestal miljoen mensen wonen, wil dat zeggen dat je een grotere kans hebt om een specifieke en voor jou onbekende Vlaming tegen het lijf te lopen door ergens in Vlaanderen lukraak aan een deur te gaan aanbellen. Als mensen hun kans op winst op die manier zouden bekijken, dan zou de lotto wellicht veel minder populair zijn.

Een ander voorbeeld van de availability bias (en een statistische redeneerfout zoals in vraagstuk 1) komt uit de Verenigde Staten. Na 9/11 waren Amerikanen bereid meer te betalen voor een levensverzekering tegen terrorisme als ze met het vliegtuig op reis gingen dan voor een levensverzekering die hen tegen elke doodsoorzaak verzekerde.

Vraagstuk 10: ’Anchoring’

Een volgende ‘bias’ staat gekend als ‘anchoring’. Psychologen (Kahneman, 2011) deelden een groep mensen in twee groepen op. Ze vroegen aan de eerste groep: Zijn de hoogste bomen in de wereld (redwoods) volgens jou meer of minder dan 300 meter hoog? Hoe hoog is de hoogste boom volgens jou?

Aan de tweede groep vroegen ze: Zijn de hoogste bomen volgens jou meer of minder dan 50 meter hoog? Hoe hoog is de hoogste boom volgens jou?

Resultaat: groep 1 schatte bij de tweede vraag de hoogste bomen op gemiddeld: 255 meter, groep 2 op gemiddeld: 85 meter. De reden hiervoor is dat de uiteenlopende getallen in de eerste vraag een ‘anker’ vormden voor de schattingen in de tweede vraag.

Anchoring is een veel besproken bias in de gedragseconomie (‘behavioral economics’) en kan leiden tot irrationeel koopgedrag. Dat komt aan bod in hoofdstuk 4 (‘Irrationaliteit in actie’) en in de appendix (‘Detecteer de redeneerfouten’).

Vraagstuk 11: ’Framing’

Een volgend bias is de invloed van kaderen of ‘framing’:

Er breekt een ziekte uit waarbij 600 mensen zullen omkomen als er niets wordt gedaan. Dokters ontwikkelen twee behandelingen om de ziekte te bestrijden. Welke behandeling verkies je?

Optie A
Behandeling 1: 200 mensen worden gered.
Behandeling 2: 1/3 kans dat ze allemaal gered worden, 2/3 dat ze allen sterven.

Optie B
Behandeling 1: 400 mensen zullen sterven.
Behandeling 2: 1/3 kans dat ze allemaal gered worden, 2/3 dat ze allen sterven.

Proefpersonen kregen ofwel optie A voorgesteld ofwel optie B. In optie A kiest 72% voor behandeling 1, in optie B slechts 22% en beide opties komen uiteraard op exact hetzelfde neer (Kahneman & Tversky, 1979). Als 200 van de 600 gered worden, dan sterven er 400 en als er 400 sterven, dan worden er 200 gered. De beslissingen die we nemen op basis van informatie hangen soms voor een groot deel af van de wijze waarop die informatie gekaderd is (en marketingtechnieken spelen daar gretig op in – zoals we zien in hoofdstuk 4 en in de appendix).

Vraagstuk 12: De ’Allais paradox’

Een andere vorm van irrationaliteit binnen de gedragseconomie staat gekend als de ‘Allais paradox’ (Allais, 1953). Je hebt 80% kans om 4000 euro te winnen (A) of 100% kans om 3000 euro te winnen (B). Welke optie verkies je? De meeste mensen kiezen B (80%). Stel nu dat je 20% kans hebt om 4000 euro te winnen (A) of 25% kans om 3000 euro te winnen (B). Welke optie verkies je? Nu kiezen de meeste mensen A (65%). Nochtans zou de afweging in beide gevallen dezelfde moeten zijn als we rationeel denken (in de economie staat dit bekend als ‘expected utility theory’). We zouden dus in beide gevallen voor ofwel A ofwel B moeten kiezen. We geven immers dezelfde som op in B (1000 euro) voor dezelfde toename in winstkans (20% meer kans om het bedrag te winnen).

Nog extremer wordt het wanneer we de percentages kleiner maken. Stel dat je 45% kans hebt om 6000 euro te winnen of 90% om 3000 euro te winnen ten opzichte van een 0,1% kans om 6000 euro te winnen of een 0,2% kans om 3000 euro te winnen. Ook hier zouden we hetzelfde moeten antwoorden in beide gevallen als we rationeel utiliteit (beloofd bedrag) en kans in beschouwing nemen.

Met verlies zien we het omgekeerde effect. De meeste mensen verkiezen 80% kans op een verlies van 4000 euro boven 100% kans op een verlies van 3000 euro (92%). Maar wanneer de percentages veranderen (maar niet de verhoudingen) krijgen we een andere keuze. Tussen 20% kans op een verlies van 4000 en 25% kans op een verlies van 3000, kiest 58% voor het laatste.

Vraagstuk 13: De ’hindsight bias’

Een volgende belangrijke bias is de ‘hindsight bias’:

Welke waarschijnlijkheidsgraad kende je voordat de covid-19 pandemie uitbrak toe aan de mogelijkheid dat er een pandemie zou uitbreken? Of voor de financiële crisis van 2007-2010 dat dit zich zou voordoen? De kans is groot dat je de waarschijnlijkheid overschat die je aan deze feiten zou toegekend hebben voor de feiten, nadat de feiten zich voltrokken hebben. (Na de financiële crisis, hadden veel beleggers en economen dit naar eigen zeggen zien aankomen... Maar toch zijn de meeste beleggers er financieel een stukje lichter uitgekomen, en werd er in 2006 heel weinig geschreven over een aankomende crisis). Dat is te wijten aan de ‘hindsight bias’. Met ‘achteraf kennis’ lijkt het vaak heel waarschijnlijk dat een bepaald iets gingen gebeuren. We denken achteraf daarom doorgaans dat onze voorspellingen beter waren dan dat ze in werkelijkheid waren.

De Amerikaanse psycholoog Baruch Fischhoff (1975) ontdekte deze denkfout. Aan de vooravond van een bezoek van president Richard Nixon aan Rusland en China liet hij proefpersonen de waarschijnlijkheid voorspellen van tien mogelijke resultaten van deze diplomatieke missie. Enige tijd na afloop van het presidentiële bezoek vroeg Fischhoff de deelnemers om zich de waarschijnlijkheid te herinneren die ze aan elk van de tien mogelijke uitkomsten hadden gegeven. De meesten kenden een grotere waarschijnlijkheid toe aan het scenario dat was uitgekomen. Ze vonden zichzelf dus betere voorspellers dan ze in werkelijkheid waren geweest. Dit experiment is enkele keren herhaald, onder andere bij het proces tegen O.J. Simpson en bij de vervolging van president Bill Clinton, met vergelijkbare resultaten.

Vraagstuk 14: De ’confirmation bias’

Eén van de meest waarheids-vervormende denkfouten die we maken is de ‘confirmation bias’. We zijn geneigd om bijna uitsluitend oog te hebben voor en op zoek te gaan naar informatie die onze overtuigingen bevestigen (terwijl we blind zijn voor informatie die onze overtuigingen tegenspreken).

De psycholoog Peter Wason (1960) toonde dit aan met zijn ‘hypothesis testing’ experiment. Je wordt een reeks van drie cijfers voorgeschoteld: 2, 4 en 8. Deze reeks beantwoordt aan een regel. Het doel is om die regel te achterhalen door zelf andere reeksen voor te stellen, telkens van drie cijfers. Daarop krijg je één van de volgende antwoorden: ‘ja, dat volgt de regel’ of ‘nee, dat volgt de regel niet’. Wanneer je denkt de regel achterhaald te hebben, dan mag je een gok wagen.

De regel is eenvoudigweg: een reeks van oplopende cijfers. Over het algemeen doen deelnemers er lang over om dit te achterhalen. De reden dat we het antwoord op dit raadsel niet gemakkelijk vinden is omdat we geneigd te zijn om sequenties voor te stellen die de regel in ons hoofd bevestigen. Bijvoorbeeld, we denken dat het gaat om verdubbelende cijfers of verdubbelende even cijfers en stellen keer op keer reeksen voor die aan deze regel beantwoorden. Maar om dit raadsel op te lossen, moet je juist het omgekeerde doen. Je moet reeksen voorstellen die niet aan jouw hypothetische regel beantwoorden, enkel zo kan je de regel testen en deze indien nodig vervangen door een andere regel, die je dan weer kan testen, enzovoort.

Vraagstuk 15: Zelfoverschatting

Een andere hardnekkige bias, tenslotte, is zelfoverschatting. De meesten onder ons zijn vatbaar voor zogenaamde positieve illusies.

85 tot 90% van de mensen denkt beter dan gemiddeld met de wagen te rijden. 94% van de docenten denkt beter dan gemiddeld les te geven. 25% van de mensen denkt bij de top 1% te behoren op vlak van sociale vaardigheden. En, ironisch genoeg, denkt ook de overgrote meerderheid minder vatbaar te zijn voor zelfoverschatting dan de gemiddelde mens. Die overschatting geldt trouwens niet enkel voor onszelf. Ook bij het inschatten van de intelligentie en talenten van onze kinderen tonen we een serieuze bias. Over de evolutionaire verklaring van die positieve illusies heb ik het in het volgende hoofdstuk. Interessant is ook dat depressieve mensen over een accurater zelfbeeld blijken te beschikken dan hun psychologisch gezonde medemens. Dat fenomeen wordt in de literatuur ‘depressief realisme’ genoemd.

Tot zover het overzicht van sommige van onze meest hardnekkige redeneerfouten. Zoals Dan Ariely (2008) het mooi samenvat: ‘Even the most analytical thinkers are predictably irrational; the really smart ones acknowledge and address their irrationalities’. Dat is het doel van dit boek.

Samenvatting

Wat is kritisch denken?

Rationeel en autonoom denken

Wat zijn de drie vuistregels van kritisch denken?

  • Eis externe (niet psychologische) ondersteuning voor overtuigingen.

  • Wees op je hoede voor cognitieve valkuilen.

Verder Lezen

Comments
0
comment

No comments here

Why not start the discussion?