Skip to main content
SearchLoginLogin or Signup

3. Waarom Zijn We Irrationeel? De evolutionaire oorsprong van denkfouten

Published onJul 21, 2022
3. Waarom Zijn We Irrationeel? De evolutionaire oorsprong van denkfouten
·

De merkwaardige architect van ons denken

In het vorige hoofdstuk zagen we, aan de hand van een reeks vraagstukken, hoe ons denken in bepaalde domeinen voorspelbaar irrationeel is. In dit hoofdstuk vragen we ons af waarom dit het geval is. Waarom leidt ons denken ons op systematische wijze om de tuin? Om daar een antwoord op te geven, moeten we ons wenden tot de architect van ons denken. Net zoals we ons zouden wenden tot bijvoorbeeld de technici die een rekenmachine maakten, moest blijken dat die rekenmachine bepaalde berekeningen verkeerd uitvoert. Hetzelfde geldt voor ons denkapparaat. De oorzaak van systematische denkfouten ligt bij de architect van ons denkorgaan. Sinds Darwin is die gekend: natuurlijke selectie. Deze merkwaardige architect blijkt blind te zijn, heeft helemaal geen zeg in het materiaal waarmee hij aan de slag moet, en heeft maar één doel voor ogen: reproductie. Dat heeft een aantal belangrijke gevolgen voor ons denken. Alvorens daarop in te gaan, is het nuttig om eerst even stil te staan bij het proces van evolutie door natuurlijke selectie.

Evolutie door natuurlijke selectie

Evolutie - het feit dat soorten door de tijd heen veranderen en dat alle levensvormen (op onze planeet althans) een gemeenschappelijke voorouder hebben – wordt voornamelijk gestuurd door natuurlijke selectie. Andere factoren die evolutie beïnvloeden zijn seksuele selectie en, in mindere mate, genetische drift en epigenetica. In het kader van dit boek kunnen we ons beperken tot natuurlijke selectie. Dat proces bestaat uit drie stappen. Ten eerste ontstaan er willekeurige genetische mutaties (kopieerfouten in het DNA van een organisme). Hierdoor ontstaat genetische variatie (genetische verschillen tussen de individuele organismen in een populatie). Ten tweede worden die genetische mutaties doorgegeven aan de nakomelingen. Ten derde worden de mutaties die voordelig zijn voor het organisme met het oog op overleving en voortplanting door de omgeving ‘geselecteerd’. Dat betekent dat organismen met die mutaties een grotere overlevings- en voortplantingskans hebben en dat er daarom meer organismen met die genetische mutaties in de volgende generaties zullen aanwezig zullen zijn (Dawkins, 1976)(Dawkins, 1986).

Neem bijvoorbeeld de lange nek van een giraf. Die is alsmaar gegroeid over de generaties heen omdat giraffen met een genetische mutatie voor een iets langere nek zich in grotere mate konden voortplanten dan giraffen met een kortere nek, want de organismen met een langere nek konden beter aan voedsel in hoge bomen. Elke generatie kregen de organismen met de langste nek het meest voedsel en hadden ze dus de grootste kans om te overleven en zich voort te planten en hun genetisch materiaal, dat codeerde voor een lange nek, door te geven. Let wel, natuurlijke selectie is, zoals gezegd, blind: het heeft geen plan voor ogen waar het naar toewerkt (zoals het maken van een lange nek voor giraffen). Elke generatie wordt er gewoon een selectie gemaakt door het verschillend succes waarmee organismen zich voortplanten. Zo ontstaan gaandeweg ‘adaptaties’ aan de omgeving. Bovendien heeft de blinde architect ook geen vat op het materiaal waarmee het werkt aangezien de mutaties die geselecteerd worden willekeurig zijn (de overgrote meerderheid van die mutaties zijn overigens neutraal of nefast voor het organisme en worden dus niet geselecteerd).

Wat houdt dit in voor ons denken?

Ook onze hersenen zijn het product van natuurlijke selectie. Aangezien natuurlijke selectie niet in de toekomst kan kijken (het is blind) en niet altijd beschikt over de optimale mutaties om uit te selecteren, resulteert het proces vaak in suboptimale ontwerpen. Neem bijvoorbeeld ons oog. Dat is geëvolueerd uit onderhuidse licht detecterende cellen. In die cellen kwamen de zenuwbanen samen aan de bovenkant. Toen die cellen gradueel evolueerden tot het complexe oog met pupil en netvlies waar we nu over beschikken, bleven die zenuwbanen aan de voorkant van het oog samenkomen waardoor deze door het netvlies geboord moesten worden om met de hersenen te verbinden. Daarom hebben we een blinde vlek in het gezichtsveld van elk oog (hetgeen dan weer gecompenseerd wordt door het gezichtsveld van de twee ogen te combineren). Inktvissenogen, daarentegen, zijn apart geëvolueerd (onze gemeenschappelijke voorouder met inktvissen had geen ogen) en zijn beter ontworpen. Daar komen de zenuwen samen achter het oog.

Ook wat onze hersenen betreft kunnen we er dus van uitgaan dat er in principe meer optimale ontwerpen mogelijk zijn. Maar belangrijker – als we het hebben over het waarom van redeneerfouten en irrationaliteit – is het ‘doel’ van natuurlijke selectie. Natuurlijke selectie is enkel ‘geïnteresseerd’ in voortplanting. Het wordt immers gedreven door het verschillend succes waarmee genen (genetische variaties) zich verspreiden binnen de populatie. Genen gebruiken organismen in zekere zin als vehikels om kopieën van zichzelf te maken (door die organismen zich te laten voortplanten). Ze zijn succesvol in de mate dat ze het organisme van eigenschappen voorzien die de kansen verhogen dat het zich (veelvuldig) kan voortplanten. Bijvoorbeeld door het organisme te voorzien van adaptaties die het beter in staat stellen om te overleven (zoals camouflage, scherpe tanden, of lange nekken) of die het aantrekkelijker maken voor het andere geslacht (zoals de kleurrijke staart van de pauw – dat is seksuele selectie).

Waarheid is een prijzig middel

Elke kenmerk van een organisme wordt dus slechts geselecteerd voor zover het een reproductief voordeel oplevert. Hetzelfde geldt voor onze hersenen. Die zijn niet geëvolueerd met het oog op waarheid maar met het oog op voortplanting. Weliswaar is waarheid (de omgeving op een juiste manier voorstellen) doorgaans de beste strategie om de kansen van een organisme op overleving en voortplanting te verhogen. Neem bijvoorbeeld twee hominiden die drie tijgers een grot zien binnengaan en twee tijgers naar buiten zien komen. De hominide die de juiste rekensom maakte en eruit afleidde dat er nog een tijger in de grot was heeft een grotere kans om onze voorvader te zijn geweest (en zijn wiskundige genen door te geven) dan degene die dacht dat de kust veilig was en vervolgens de grot introk.

Aan waarheid hangt echter een prijskaartje. Hoe complexer en accurater de wereld door een organisme wordt voorgesteld, hoe meer ontwikkeld zijn hersenmassa. En hoe meer ontwikkeld zijn hersenmassa, hoe meer energie, en dus voedsel, dat vereist. Onze hersenen verbruiken 20% van de energie die we uit voedsel halen, terwijl ze amper 1-2% van onze lichaamsmassa uitmaken. Een heel duur orgaan dus. Dat kan enkel evolueren voor zover het voordeel dat dit oplevert (met het oog op voortplanting en dus onrechtstreeks ook overleving) groter is dan de kost die daarmee gepaard gaat (het extra voedsel dat moet ingenomen worden om het orgaan te onderhouden). Natuurlijke selectie is dus geïnteresseerd in waarheid enkel in de mate dat het relevant is voor (overleving en) reproductie én wil die waarheid zo goedkoop mogelijk verkrijgen. Dat heeft een aantal belangrijke gevolgen.

Systeem 1 en systeem 2

Eerst en vooral is ons denkapparaat ontwikkeld om snel en zuinig te werken. Te complexe denkprocessen zijn uit den boze: die kosten tijd en energie. De hominide uit ons voorbeeld hierboven, had niet de tijd om lang na te denken of er al dan niet een tijger in de grot aanwezig was. Hij kon ook niet beschikken over de meest complexe vormen van informatieverwerking want dat zou betekenen dat zijn hersenmassa (nog) duurder uitvalt (en hij dus nog meer voedsel nodig heeft om die te onderhouden).

Het resultaat is dat we met een denksysteem opgezadeld zijn dat snel en zuinig is. Het werkt automatisch, snel en op basis van intuïtie. De cognitieve psycholoog Daniel Kahneman (2011) noemt dat cognitieve mechanisme: systeem 1. We beschikken echter ook over een tweede systeem dat – wanneer het aangewend wordt – de output van systeem 1 kan controleren en overschrijven. Systeem 2 is echter traag, bewust en vergt inspanning. Over het algemeen is systeem 1 in controle; ons denken werkt dan als het ware op ‘automatische piloot’.

Twee kleine voorbeelden tonen het verschil tussen systeem 1 en systeem 2 denken (en maken er ons ervan bewust wie er aan het stuur zit). Het eerste is gekend als de Mozes-illusie. Het gaat als volgt: ‘Hoeveel dieren van elke soort nam Mozes mee op zijn ark?’ (Erickson & Mattson, 1981).

Het antwoord is uiteraard dat niet Mozes maar Noah dieren op zijn ark meenam, maar systeem 1 is geneigd onmiddellijk (het werkt snel en automatisch) ‘twee’ te antwoorden, want Mozes past in de Bijbelse context en er gaat daarom geen alarmbelletje rinkelen.

Het tweede vraagstuk levert een vergelijkbaar resultaat op. ‘Een baseball bat en een bal kosten samen 1$ en 10 cent. De baseball bat kost 1$ meer dan de bal. Hoeveel kost de bal?’ (Kahneman & Frederick, 2002)

Ook hier is systeem 1 geneigd onmiddellijk ‘10 cent’ te antwoorden. Wanneer we wat langer nadenken zien we echter in dat het juiste antwoord 5 cent is: de bat kost 1$ 5 cent en de bal 5 cent, dat is samen 1 $ 10 cent.

De feilbaarheid van systeem 1

Heuristieken: eenvoud boven complexiteit

Systeem 1 leidt ons dus geregeld om de tuin (denk ook aan de vraagstukken uit het vorige hoofdstuk). De reden daarvoor is dat het heuristieken gebruikt. Heuristieken zijn eenvoudige denkregels die over het algemeen een goed resultaat opleveren maar ons soms misleiden. Ze zijn de oplossing van natuurlijke selectie om zoveel mogelijk relevante waarheid over de omgeving te achterhalen op een zo goedkoop mogelijke manier. Systeem 1 is dus een approximatief systeem: het gebruikt simpele denkregels om relevante waarheid zo goed mogelijk te benaderen. Die heuristieken zijn dan ook redelijk doeltreffend maar feilbaar.

Het gebruik van heuristieken leidt bijvoorbeeld tot de ‘availability bias’ (bijvoorbeeld het feit dat we geneigd zijn te denken dat sterfgevallen door haaiaanvallen vaker voorkomen dan sterfgevallen door losgekomen vliegtuigonderdelen aangezien het eerste gemakkelijker voor de geest te halen is doordat het meer media-aandacht krijgt – zie vorig hoofdstuk: vraagstuk 7). In dat geval is de heuristiek die we onbewust en automatisch toepassen: ‘hoe gemakkelijker een gebeurtenis voor de geest te halen is, hoe waarschijnlijker die gebeurtenis is’.

’Error management’

Systeem 1 kan dus misleidend uit de hoek komen omdat het complexe redeneringen waar veel informatie voor nodig is (bv. statistische berekeningen) vervangt door simpele redeneringen die onmiddellijk kunnen uitgevoerd worden. Dat doet het om snel en zuinig tot besluiten te komen. Systeem 1 is echter in sommige gevallen ook ‘met opzet’ misleidend vervaardigd. Herinner je dat het ‘doel’ van natuurlijke selectie niet waarheid is, maar overleving en reproductie van het organisme. Aangezien sommige fouten duurder zijn dan andere fouten (meer bedreigend voor overleving en reproductie), zal natuurlijke selectie in de eerste plaats proberen om dergelijke dure fouten te vermijden. Daarvoor is het bereid om meer fouten te maken die minder bedreigend zijn.

Vergelijk het met een brandalarm. Het alarm kan twee fouten maken: afgaan als er geen brand is (vals positief) of niet afgaan als er wel brand is (vals negatief). De tweede fout heeft uiteraard een stuk ernstigere gevolgen dan de eerste. Daarom worden brandalarmen op zo’n manier afgesteld dat ze eerder te snel afgaan (bv. bij het roken van een sigaar in de ruimte) dan te traag. Het doel van de ontwerper van het brandalarm is dus niet om het totaal aantal fouten (zowel vals positief als negatief) zo laag mogelijk te houden, maar de kost van fouten zo laag mogelijk te houden. In dit geval dus, om vals negatieven ten alle koste te vermijden. Met als gevolg: meer vals positieven en een groter aantal foutmeldingen in totaal.

Hetzelfde geldt voor systeem 1. Natuurlijke selectie heeft het niet ontworpen om zo accuraat mogelijk te zijn, maar om kostbare fouten te vermijden. Daarvoor is het bereid een groter aantal fouten te maken. Dat fenomeen staat in de literatuur bekend als ‘error management’ (Tversky & Kahneman, 1974; Haselton & Buss, 2000). Een goed voorbeeld hiervan is de neiging van mannen om de interesse die vrouwen voor hen tonen te overschatten. Evolutionair gezien is dit logisch. Aangezien de kost van een gemiste mogelijkheid tot reproductie veel hoger is dan de kost van een vruchteloze versierpoging, wil natuurlijke selectie fouten van het eerste type vermijden en is daarom bereid meer fouten van het tweede type te maken (Haselton & Buss, 2000).

Een ander voorbeeld is het zien van oorzakelijke verbanden. Ook dit mechanisme staat bij ons te scherp afgesteld omdat het missen van oorzakelijke verbanden (bv. tussen het eten van iets giftigs en het ziek worden daarvan) over het algemeen een grotere kost met zich meebrengt dan het leggen van een oorzakelijk verbanden die er in werkelijkheid niet zijn. Het gevolg is dat we geneigd zijn oorzakelijke verbanden te zien die er in werkelijkheid niet zijn. Dat is de voedingsbodem van bijgeloof, pseudowetenschappen en allerlei samenzweringstheorieën. Daarover hebben we het in het volgende hoofdstuk.

Een derde voorbeeld van ‘error management’, tenslotte, is wat gekend staat als ‘hyperactive agency detection’ (Barrett, 2000). We zijn geneigd te snel gebeurtenissen te verklaren door het handelen van een ‘agent’ (een levend wezen met intenties) in te roepen. Het klassieke voorbeeld is het volgende: een hominide ziet een struik bewegen en hoort geritsel. Het kan ofwel de wind, ofwel een (roof)dier zijn dat zich daar verschuilt. Denken dat het de wind is terwijl het een roofdier is (vals negatief) komt een stuk duurder te staan dan het maken van de omgekeerde fout (vals positief). We zijn dus geneigd teveel van die vals positieve fouten te maken om de dure vals negatieve fouten te vermijden. Deze ‘hyperactive agency detection’ speelt een belangrijke rol in het ontstaan van bovennatuurlijke overtuigingen (zoals we in het volgende hoofdstuk zullen zien wanneer we religie bespreken).

Evolutionaire ‘mismatch’

Naast het feit dat systeem 1 een zuinig en dus approximatief systeem is en dat het soms een groter totaal aantal fouten maakt om dure fouten te vermijden (error management), is er een derde reden waarom systeem 1 ons soms op het verkeerde been zet. De heuristieken of denkregels waaruit systeem 1 bestaat zijn ontworpen om Homo sapiens zo goed mogelijk wegwijs te maken in de omgeving waar hij het overgrote deel van zijn evolutionaire geschiedenis heeft doorgebracht, niet in de omgeving waarin wij vandaag vertoeven. Ons denken is aangepast aan een nomadenbestaan in het steentijdperk (het belangrijkste deel van onze evolutionaire geschiedenis brachten we door als jager-verzamelaars). En dat levert soms bedenkelijke resultaten op in de moderne wereld (Tooby & Cosmides, 1992).

Een goed voorbeeld hiervan is de ‘gambler fallacy’ of de ‘gokkersfout’. Deze denkfout bestaat erin te denken dat, bijvoorbeeld, bij het spelen van kop of munt, de kans op kop toeneemt naarmate het aantal keren dat munt (na elkaar) geworpen wordt. We zijn, met andere woorden, geneigd een statistische correctie te verwachten. Uiteraard is de kans telkens 50/50, onafhankelijk van wat er eerder is geworpen. Hetzelfde geldt voor het roulette wiel. Gokkers hebben de neiging op rood te spelen als het wiel enkele keren na elkaar op zwart eindigt, ‘want 5 keer zwart na elkaar zou toch echt te straf zijn’.

In een casino is dat uiteraard irrationeel. Maar in de natuurlijke omgeving waarin de mens geëvolueerd is, blijkt deze manier van denken niet zo absurd. In de natuur zijn vele fenomenen immers cyclisch. Zo neemt bij het voorspellen van het weer de kans op regen wel degelijk toe naarmate de duur van een droge periode langer wordt (gegeven dat men zich in een seizoen bevindt waarin het regelmatig regent) (Pinker, 1997). Het is dus voornamelijk in artificiële, moderne contexten (het casino) dat deze denkregel tot fouten leidt. Hetzelfde kan gezegd worden van de statistische redeneerfouten die wij neigen te maken (zoals de base rate fallacy – zie voorbeelden in hoofdstuk 2 en de appendix). Deze problemen kwamen onze voorouders niet tegen in hun omgeving en dus zijn onze intuïties niet geëvolueerd om ze op te lossen.

In (tussentijdse) conclusie

Evolutie heeft ons dus voorzien van twee cognitieve systemen: het eerste is snel, zuinig en daarom approximatief en noopt ons tot denkfouten door haar benaderende karakter, error management, en een ‘mismatch’ tussen de problemen waarvoor het ontworpen was (de problemen van de omgeving waarin we het overgrote deel van onze evolutie hebben doorgebracht) en de problemen waarmee we vandaag geconfronteerd worden. Systeem 2 kan ons weer op het rechte pad zetten, maar vergt energie en blijft meestal op de achtergrond. (Kahneman, 2011) noemt systeem 2 ‘the lazy controller’. Systeem 2 komt enkel in actie als er geen antwoord komt van systeem 1 (bv. bereken 25x56 – daar hebben we geen onmiddellijk, intuïtief antwoord voor) of als we het bewust inschakelen om de output van systeem 1 te controleren.

Dat is voor een belangrijk deel wat een kritisch denker doet: hij of zij is zich bewust van het feit dat ons automatisch, intuïtief denken feilbaar is in bepaalde domeinen en schakelt daarom systeem 2 (bewust denken) in om de eerste ingeving te controleren wanneer dat nodig is. Systeem 1 kan namelijk nooit uitgezet worden, die antwoorden komen automatisch. Het komt er dus op aan de output van systeem 1 te controleren – wanneer dat nodig is – en niet zomaar blindelings te volgen.

Andere kapers op de kust

De sociale omgeving

Tot dusver hebben we het enkel gehad over de evolutionaire noodzaak om onze fysieke of natuurlijke omgeving te navigeren. Maar de mens maakt ook deel uit van een sociale omgeving. Als sociale primatensoort zijn onze overlevings- en reproductieve kansen voor een belangrijk deel afhankelijk van onze verhouding tot andere leden van de groep. Ons cognitief apparaat is daarom niet enkel gevormd om de natuurlijke omgeving te navigeren maar ook de sociale omgeving. En dat heeft zo zijn gevolgen.

Herinner u dat ons denken niet geëvolueerd is voor waarheid maar voor reproductie. Waarheid, schreef ik hierboven, is een middel. Om succesvol te reproduceren kan men immers best de natuurlijke omgeving relatief waarachtig voor te stellen. Dat geldt echter enkel voor de natuurlijke omgeving. In de sociale omgeving blijkt waarheid een stuk minder belangrijk. Hier zijn we er veelal juist bij gebaat om onze medemens (onopgemerkt) te bedriegen.

In een conflict, bijvoorbeeld, ben ik erbij gebaat als mijn tegenstander mij gevaarlijker inschat dan ik in werkelijkheid ben (bijvoorbeeld door mijn fysische kracht of het aantal mensen in de groep die het voor mij opnemen te overschatten). Dat verhoogt de kans dat de tegenstander zich terugtrekt. Zo krijg ik mijn zin, zonder een mogelijk kostbaar gevecht aan te gaan. Hetzelfde geldt voor de positie in de groep. Mijn talenten worden beter overschat dan onderschat. Zo geraak ik hogerop in de sociale ranking met alle gevolgen van dien: grotere overlevingskansen en meer reproductiemogelijkheden. Om succesvol te bedriegen, heeft natuurlijke selectie ons met een ingenieuze denkfout opgezadeld. De beste strategie om anderen te bedriegen is namelijk jezelf te bedriegen. De leugenaar die niet weet dat zij liegt, liegt het best. Dit verklaart dan ook de zelfoverschatting waar we het in het vorige hoofdstuk over hadden (vraagstuk 15). Ook hier leidt ons spontaan, intuïtief systeem 1 denken ons om de tuin.

De irrationaliteit van systeem 2

Maar irrationaliteit komt niet enkel door dat vermaarde systeem 1. Ook onze trage en bewuste denkprocessen (systeem 2) doen ons geregeld de das om. Ook dat is te wijten aan de sociale omgeving en de functie die bewuste denkprocessen hebben in een sociale context. Redeneren doen we immers niet enkel om relevante, waarachtige inzichten over onze omgeving op te doen (om die omgeving beter te navigeren met het oog op overleving en reproductie), maar ook (in de eerste plaats!) om met elkaar te debatteren. Er wordt al eens gezegd: ‘het is niet belangrijk gelijk te hebben, maar gelijk te krijgen’. Natuurlijke selectie dacht er precies zo over in de sociale context. Volgens de cognitieve wetenschappers Sperber en Mercier (2017) evolueerde ons redeneervermogen om anderen te overtuigen en argumenten van anderen te winnen. Dat is het besluit van hun zogenaamde ‘argumentatieve theorie van het redeneren’.

In de sociale context nemen onze kansen op overleving en reproductie immers toe wanneer we met verve debatteren en anderen kunnen overhalen. Dat verhoogt namelijk onze status in de groep. Het gevolg is dat we uitgerust werden met redeneervermogens die ontworpen zijn om gelijk te krijgen. We zijn, met andere woorden, geboren advocaten. Het cognitieve mechanisme bij uitstek dat ons daarbij helpt is de ‘confirmation bias’. Het doet precies datgene waarvoor het ontwikkeld is: gelijk krijgen. Het zorgt er namelijk voor dat we enkel het bewijs en de argumenten die ons standpunt ondersteunen zien en onthouden. En dat gaat vaak ten koste van gelijk hebben.

Als er een prijs zou worden uitgereikt aan de redeneerfout die de waarheid het meest belemmert, dan zou de confirmation bias de onbetwiste winnaar zijn. De confirmation bias beweegt ons ertoe enkel open te staan voor bevestigingen van onze mening of positie. We zijn blind voor tegenargumenten en zien overal bevestiging. Het zet ons ertoe aan om enkel of toch voornamelijk bevestigende informatie te gaan zoeken, waar te nemen, te herinneren, en ambigue informatie op een dergelijke manier te interpreteren dat het ons vooraf bepaalde standpunt kracht bij zet. Omdat de confirmation bias ervoor zorgt dat we bevestigende informatie zien en herinneren en onbewust het tegenbewijs eruit filteren, leidt het tot een andere redeneerfout: de ‘overconfidence bias’. Dat verwijst naar het feit dat we de kans dat we gelijk hebben veel hoger inschatten dan deze in werkelijkheid is (want we missen het tegenbewijs).

Experimenteel werd de confirmation bias mooi in kaart gebracht in de jaren ’70 (Lord et al., 1979). Voor- en tegenstanders van de doodstraf kregen een aantal studies voorgeschoteld over de relatie tussen de doodstraf en criminaliteit. De studies, die tegen het weten van de deelnemers in fictief waren, spraken elkaar tegen. Sommige studies suggereerden dat criminaliteit daalt bij het invoeren van de doodstraf en andere studies gaven aan dat er geen verband was tussen criminaliteit en doodstraf. Men zou verwachten dat de meesten hierdoor hun overtuiging enigszins afzwakten (omdat er geen éénduidig besluit uit de studies komt). Het tegenovergestelde bleek echter het geval. Niet alleen bleven alle deelnemers bij hun standpunt, ze deden dat zelfs met (nog) meer overtuiging!

Door de confirmation bias waren ze selectief blind voor de informatie die tegen hun mening inging en wanneer dergelijke informatie toch door de filter van de confirmation bias geraakte, detecteerden ze allerlei fouten in dat onderzoek (die ze niet detecteerden in het onderzoek dat hun standpunt kracht bijzette – zie de ‘belief bias’ in de Appendix). Allen schatten ze de studies die hun standpunt ondersteunden (voor voorstanders van de doodstraf: een negatieve correlatie tussen invoeren van doodstraf en criminaliteit, voor tegenstanders een gebrek aan correlatie) hoger in dan studies die hun standpunt onderuithaalden (en daar gaven ze gedetailleerde redenen voor). Sterker nog, ze herinnerden zich de studies die hun standpunt ondersteunden veel beter dan studies die daartegen in gingen. Uit dit soort onderzoek blijkt ook dat de confirmation bias in kracht toeneemt naarmate men emotioneel betrokken is bij een standpunt.

Emotie

Dat brengt ons bij een andere illustere geweldenaar van waarheid: emotie. We zijn geen koele robots die objectief de wereld analyseren, maar eerder heethoofdige primaten die de wereld gerkleurd zien door een bril van emoties. De reden dat natuurlijke selectie ons naast informatieverwerking ook met emoties heeft uitgerust is simpel: natuurlijke selectie is enkel geïnteresseerd in handelingen (die reproductiekansen verhogen). Om een organisme tot handelen aan te zetten heb je twee zaken nodig: een overtuiging (het resultaat van informatieverwerking) en een wil of verlangen (het resultaat van emoties of gevoel). Bijvoorbeeld, ik word ertoe aangezet de koelkast open te trekken en er iets uit te halen (handeling) omdat ik weet dat daar voedsel is (informatieverwerking) en omdat ik honger heb (gevoel). Het affectieve is de drijvende factor achter de handeling en het cognitieve of informatie verwerkende is de sturende factor. Maar deze twee staan niet volledig los van elkaar. Het affectieve, met name, beïnvloedt het cognitieve. Dat staat gekend als de ‘affect heuristic’.

De affect heuristic houdt in dat we beslissingen nemen (bijvoorbeeld het al dan niet een project aangaan of een investering maken) op basis van de emotionele reacties, niet op basis van de informatie voorhanden en een objectieve kosten-baten analyse (herinner je de Amerikanen die meer bereid waren te betalen voor een levensverzekering tegen terrorisme dan een levensverzekering waar elke doodsoorzaak gedekt wordt uit hoofdstuk 2 – vraagstuk 9). Bij het maken van een kosten-baten analyse, laten we ons, met andere woorden, vaak leiden door ons ‘buikgevoel’, en niet door objectieve informatie en rationele analyse.

De gevolgen hiervan kunnen bijzonder ingrijpend zijn. Naast slechte investeerders maakt het ons ook tot slechte beleidsmakers. Met betrekking tot klimaatverandering, bijvoorbeeld, blijken de effecten van de ‘affect heuristiek’ rampzalig. We zijn op de hoogte van klimaatverandering en toch ondernemen we veel te weinig. Een belangrijke reden daarvoor is dat de affectieve respons die we hebben ten opzichte van klimaatverandering eerder gering is. We zijn persoonlijk immers nog niet geconfronteerd geweest met de gevolgen (en die blijven voor velen nogal abstract). Dit in sterk contrast tot bijvoorbeeld terrorisme, dat een veel grotere affectieve respons uitlokt maar, objectief bekeken, een veel minder grote bedreiging vormt.

Een andere onuitroeibare en heel sterke affectieve dispositie waarmee we standaard zijn uitgerust is de ‘ingroup – outgroup bias’. We hebben een positieve dispositie ten opzichte van leden van de groep waartoe we behoren (ingroup) en een negatieve dispositie ten opzichte van mensen uit andere groepen (outgroup). De gevolgen hiervan zijn verstrekkend en destructief voor onze samenleving. Maar ook ons denken lijdt eronder. We zijn immers geneigd om bronnen binnen onze groep te gemakkelijk te vertrouwen en daarom ook irrationele overtuigingen van de ingroup vlot over te nemen, terwijl we de overtuigingen van leden van de outgroup met argusogen bestuderen en er vaak heel afkeurend tegenover staan. Ook dat speelt een belangrijke rol bij religieuze overtuigingen. Verder verklaart dit ook voor een deel waarom de irrationele overtuigingen binnen onze eigen groep onopgemerkt worden overgenomen en de irrationele overtuigingen van een andere groep veelal volstrekt absurd lijken (zie hoofdstuk 2).

Samen met de confirmation bias is de ingroup – outgroup bias één van de grootste struikelblokken voor kritisch denken. Waartoe dat zo allemaal kan leiden zien we in het volgende hoofdstuk. Hoe we ons daartegen kunnen wapenen, bespreken we in het hoofdstuk erna.

Samenvatting

Over welke 2 denksystemen beschikken we?

  • Systeem 1: snel, automatisch, intuïtief

  • Systeem 2: traag, moeizaam, reflectief

Waarom is systeem 1 feilbaar?

  • Het is zuinig: verkiest eenvoud boven complexiteit

  • Error management

  • Evolutionaire mismatch

Waarom is systeem 2 feilbaar?

  • Geadapteerd aan de sociale context: het is ontworpen om te overtuigen, argumenten te winnen.

Welke redeneerfout helpt hierbij?

De confirmation bias

Wat is de derde bron van irrationaliteit?

Emoties

Hoe werkt evolutie door natuurlijk selectie?

  1. Variatie: er ontstaan willekeurige genetische mutaties.

  2. Replicatie: die genetische mutaties worden doorgegeven aan de nakomelingen.

  3. Selectie: genetisch materiaal dat codeert voor kenmerken die het organisme helpen overleven en reproduceren zal in de volgende generaties meer aanwezig zijn. Want organismen die over die kenmerken beschikken zullen gemiddeld meer reproduceren (en de genen die coderen voor die kenmerken doorgeven) dan organismen die er niet over beschikken.

Verder Lezen

Comments
0
comment

No comments here

Why not start the discussion?