Skip to main content
SearchLoginLogin or Signup

5. Kritisch Denken Meester Worden: Hoe we ons kunnen wapenen tegen denkfouten

Published onJul 21, 2022
5. Kritisch Denken Meester Worden: Hoe we ons kunnen wapenen tegen denkfouten
·

Drie bronnen van denkfouten

Om ons te wapenen tegen denkfouten moeten we ons eerst en vooral bewust zijn van de bronnen van deze denkfouten. In hoofdstuk 3 zagen we hoe natuurlijke selectie ons uitrustte met verschillende denksystemen (systeem 1 en systeem 2) en hoe beide denksystemen tot denkfouten leiden. Verder blijkt ook dat emoties een vertekenende rol op ons denken uit kunnen oefenen. In dit hoofdstuk gaan we de strijd aan met deze denkfouten. Je zal leren hoe je je kan wapenen tegen irrationaliteit komende uit intuïtief denken (systeem 1), tegen irrationaliteit door de interferentie van je denken door emoties en, tenslotte, tegen de confirmation bias en de daaruit volgende overconfidence bias, eigen aan ons bewust redeneervermogen (systeem 2).

Intuïtieve redeneerfouten

Er bestaat geen uitknop voor systeem 1

Hoe kunnen we ons wapenen tegen intuïtieve denkfouten? Ten eerste moeten we beseffen dat systeem 1 niet uitgeschakeld kan worden. Hoe kritisch denkend we ook ingesteld zijn, ons automatisch, intuïtief denken blijft onze geest vullen met een constante stroom aan ingevingen. Onze enige bescherming tegen intuïtieve denkfouten is om ze met ons bewust en reflectief denken (systeem 2) te gaan screenen. Dit vergt een bewuste inspanning, want we zijn geneigd systeem 1 in de meeste gevallen ongestoord zijn werk te laten doen. Kahneman (2011), die het onderscheid tussen deze twee denksystemen maakt, noemt systeem 2 niet voor niets de ‘lazy controller’. Herinner je ook Sperber en Mercier (2017)’s ‘argumentatieve theorie van het redeneren’: ons redeneervermogen (systeem 2 denken) is geëvolueerd om anderen te overtuigen, niet om ons intuïtief denken te controleren. We zijn dan ook niet geneigd om dit te doen.

Zelfs in contexten waar mensen getraind zijn om niet intuïtief te denken over een bepaald onderwerp, zoals in de wetenschappen, blijkt vaak dat systeem 1 blijvend haar stempel op het denken drukt. Een goed voorbeeld hiervan is het onderzoek naar de menselijke evolutionaire geschiedenis. Zoals de meeste andere diersoorten, zijn we voorzien van een (onbewust en intuïtief) psychologisch mechanisme dat een sterk onderscheid maakt tussen soortgenoten en andere soorten. Dit evolutionair oud mechanisme is geëvolueerd voor vanzelfsprekende redenen zoals paren, coöperatie en competitie met soortgenoten. Ook bij de mens is dit mechanisme nog aanwezig (kijk alleen al naar onze taal waarin we alle andere soorten onder de noemer ‘dier’ verzamelen). Dat mechanisme zet ons er toe aan om menselijke eigenschappen als sterk verschillend te beschouwen en af te zetten tegen de eigenschappen van andere soorten.

Zelfs in het kader van het onderzoek naar de evolutionaire geschiedenis van de mens, waar we deze intuïtie geweld hebben aangedaan door aan te nemen dat we zo’n 6 miljoen jaar geleden een gemeenschappelijke voorouder hebben met de chimpansees en de bonobo’s, blijkt deze intuïtie nog aan het werk. De menselijke evolutie werd aanvankelijk immers als ‘unilineaal’ voorgesteld (en wordt door de meeste leken nog altijd zo gezien). Een unilineale visie van de menselijke evolutie houdt in dat men ervan uitgaat dat er tussen de gemeenschappelijke voorouder die we gemeen hebben met andere apen en Homo sapiens vandaag één enkele lijn van hominide soorten zit (australopithecus – Homo habilis – Homo erectus – Homo sapiens). Dit in tegenstelling tot het vertakkingspatroon dat zich in de evolutie van andere diersoorten vertoont (waar één tak telkens tot meerdere takken leidt waarvan er een deel uitsterven en andere zich weer vertakken).

De reden die hiervoor werd gegeven is dat de mensachtigen door het bezit van (primitieve vormen weliswaar van) cultuur heel verschillende ecologische niches konden gaan bewonen. Hierdoor splitte de tak van de mensachtigen zich niet af in verschillende sub-takken, telkens met specifieke adaptaties aan een bepaalde omgeving, maar evolueerden de mensachtigen als groep tot wat we nu zijn. De onderliggende redenering is dus dat de mens radicaal verschilt van andere diersoorten en dat dit weerslag heeft op zijn (recente) evolutionaire geschiedenis (De Cruz & De Smedt, 2007).

Deze unilineale visie van de menselijke evolutie is inmiddels weerlegd. Zo blijkt dat er wel degelijk een grote variëteit aan hominide soorten de wereld hebben bewoond op hetzelfde moment. Al deze vertakkingen zijn echter uitgestorven en zo blijft Homo sapiens als enige hominide soort over. Onlangs werden zelfs de resten van een dwergachtige rechtopstaande hominide gevonden op het Indonesisch eiland Flores met een herseninhoud niet veel groter dan die van chimpansees, gedateerd op zo’n luttele 18 000 jaar geleden (die dus gelijktijdig met Homo sapiens leefde – en waarschijnlijk door toedoen van deze laatste uitgestorven is).

We moeten dus altijd op onze hoede blijven voor systeem 1. Zelfs in contexten waar we ons voornamelijk beroepen op onze bewuste en reflectieve denkprocessen (systeem 2), zoals in de wetenschappen, blijft systeem 1 actief achter de schermen. Ons intuïtief denken kan immers niet uitgezet worden. Het enige wat we kunnen doen is ervoor op onze hoede zijn en ons denken systematisch controleren op onkritisch aangenomen veronderstellingen die ons automatisch en onbewust door systeem 1 zijn aangereikt.

Kunnen we onze intuïties dan nooit vertrouwen?

Het discours van kritisch denken staat dan ook haaks op een nogal vage richtlijn die populair is in onze huidige maatschappij. Die richtlijn luidt: ‘volg je intuïtie’! We worden gevraagd om ons onderbuikgevoel, onze innerlijke stem te volgen en als we dat doen – zo wordt ons op even vage wijze beloofd – komen we bij de juiste keuze of beslissing. De bedoeling is dus om systeem 1 (inclusief de affect heuristiek, waar we op basis van emotionele reacties beslissingen nemen in plaats van op basis van een doordachte kosten-baten analyse) haar werk te laten doen en systeem 2 (dat van nature toch al ‘lui’ is) niet in te schakelen. Na wat we de voorbije hoofdstukken zagen, hoop ik dat het duidelijk is dat dit niet de optimale strategie is om tot de juiste besluiten en overtuigingen te komen. Wil dat zeggen dat we nooit op onze intuïtie mogen afgaan? Nee! Het juiste antwoord is: het hangt ervan af.

Twee soorten van intuïties

Intuïtie verwijst naar twee heel verschillende bronnen van overtuigingen. De eerste bron bestaat uit genetisch verankerde denkprocessen. De tweede bron, uit verworven denkmechanismen. Met betrekking tot de eerste bron heeft evolutie – zoals uitgelegd in hoofdstuk 3 – ons met een snel en automatisch denkvermogen uitgerust om onze omgeving te navigeren. Onze voorouders hadden de tijd niet om lang na te denken over relevante problemen (herinner je het voorbeeld in hoofdstuk 3 over de hominiden die zich afvragen of er een nog een tijger in de grot is). Noch hadden ze de luxe om over nog complexere cognitieve vermogens te beschikken, want die komen met een prijskaartje (er is een trade-off tussen accuraatheid en kost van cognitie). Daarom, zo zagen we in hoofdstuk 3, is ons intuïtief denken feilbaar. Daarenboven moet er ook rekening gehouden worden met ‘error management’ (het brandalarm principe dat verkiest meer fouten te maken om dure fouten te vermijden) en de mogelijkheid van een mismatch tussen de problemen waarvoor die intuïties ontwikkeld zijn en de problemen waarop we deze nu toepassen.

Ecologische rationaliteit

Maar dat wil uiteraard niet zeggen dat ons intuïtief denken altijd misleidt. Zoals ook benadrukt in hoofdstuk 3, is waarheid misschien geen doel op zich voor natuurlijke selectie, maar het is doorgaans wel het beste middel om te overleven en reproduceren (toch tenminste wat betreft het navigeren van onze natuurlijke omgeving). Op het onderzoek van Kahneman en zijn collega Tversky (Tversky & Kahneman, 1974) en nog een reeks andere cognitieve psychologen die er vooral op gericht waren aan te tonen dat de heuristieken (de automatische denkregels) die we intuïtief toepassen tot irrationaliteit leiden, is er een reactie gekomen.

Volgens de Duitse psycholoog Gigerenzer (2000) zijn die heuristieken niet ‘misleidende want eenvoudige denkregels’, maar juist heel goed afgestelde werktuigen om belangrijke ‘ecologisch relevante’ problemen succesvol aan te pakken. Heuristieken zijn niet de bron van irrationaliteit, volgens Gigerenzer, maar juist van ‘ecologische rationaliteit’. Ze stellen ons namelijk in staat om snel en accuraat ecologisch relevante problemen op te lossen. Neem bijvoorbeeld de ‘availability heuristic’. Deze heuristiek, zo wezen Kahneman en Tversky ons er op, leidt tot denkfouten bijvoorbeeld door ons te doen veronderstellen dat sterfgevallen door haaiaanvallen regelmatiger voorkomen dan sterfgevallen veroorzaakt door losgekomen vliegtuigonderdelen. Gigerenzer en collega’s reageren hierop dat die ‘availability heuristic’ ons over het algemeen wel tot de juiste overtuigingen brengt, want gebeurtenissen die gemakkelijker voor de geest te halen zijn, zijn doorgaans ook het meest voorkomend.

Heuristieken, zo beweert Gigerenzer, brengen ons tot accurate overtuigingen, tenminste voor zover ze in ‘echte wereld’ contexten worden toegepast. Het feit dat Kahneman en co. tot het besluit komen dat ons intuïtief denken tot irrationaliteit leidt, komt precies doordat zij onze intuïties testen in een artificiële, experimentele context die ontworpen is om ons in de fout te laten gaan! In het dagdagelijkse leven zijn onze heuristieken, volgens Gigerenzer, doorgaans echter wel betrouwbaar. Hij verzet zich dan ook tegen wat hij en zijn collega’s als de ‘people are stupid school of thought’ bestempelen.

Wil dat nu zeggen dat we systeem 1 dan toch blindelings mogen vertrouwen? Uiteraard ook niet. Die heuristieken, zo weet ook Gigerenzer, zijn enkel betrouwbaar voor zover ze toegepast worden in een ecologisch valide context. Vandaar de term ‘ecological rationality’. Hiermee wordt de ancestrale context bedoeld waarin het grootste deel van de menselijke evolutie plaatsvond. Het risico op een mismatch tussen die heuristieken en de context waarin ze nu aan het werk gezet worden, wordt echter alleen maar groter naarmate we verder verwijderd geraken van onze ancestrale omgeving.

Denk aan het inschatten van risico in een financiële context, het ontwikkelen van theorieën in de kwantumfysica, of statistische analyses van grote, willekeurige ‘samples’. Onze ecologische rationaliteit helpt ons hier niet veel verder, integendeel zelfs. Wel kunnen we er doorgaans op vertrouwen in een alledaagse context (bijvoorbeeld om na te gaan wat het meest voorkomt in onze omgeving (availability heuristic), of wie te vertrouwen is in onze sociale omgeving. Evolutionaire psychologen (Cosmides & Tooby, 1992) spreken in deze context van een scherp afgestelde ‘cheater detection module’.

Het komt er dus op aan om ons er bewust van te worden wanneer we intuïtief tot een overtuiging komen en – wanneer dat het geval is – om na te gaan of onze intuïtie in het domein van die overtuiging recht van spreken heeft. Hebben we te maken met een domein dat ‘ecologisch valide’ is? Met andere woorden, is het een overtuiging in een alledaagse context die niet fundamenteel verschilt van de context van onze voorouders? Indien ja, dan kunnen we doorgaans ons intuïtief denken vertrouwen. Als het een context betreft die ver af staat van deze ecologische context (bv. moderne wetenschappen, financiële markten en kansberekening), dan loont het de moeite te nemen om systeem 2 in te schakelen en niet zomaar de eerste gedachte die in ons opkomt te volgen.

Verder moeten we ons uiteraard ook bewust zijn van de specifieke cognitieve valkuilen waarmee ons intuïtief denken ons heeft opgezadeld (voornamelijk door ‘error management’). Wanneer we bijvoorbeeld verbanden menen te zien, dan moet er een alarmbelletje afgaan. Het kan uiteraard zijn dat er inderdaad een verband is, misschien zelfs een oorzakelijk verband, maar – zoals in het vorig hoofdstuk uitvoerig besproken is – weten we van onszelf dat we intuïtief te snel verbanden leggen. Het is dus aangewezen om een stap terug te nemen, ons reflectief denken in te schakelen en na te gaan of er wel degelijk een verband is en zo ja of dit verband al dan niet oorzakelijk is. (Herinner je de instructeur op de Israëlische luchtvaartbasis).

Hetzelfde geldt uiteraard voor al die andere domeinen waarin we vaak irrationeel uit de hoek te komen. Door ons bewust te zijn van die domeinen kunnen we, in deze contexten, de reflex ontwikkelen om kritisch onze intuïties te controleren. Kortom, systeem 1 kan niet uitgeschakeld worden (en gelukkig maar, het leven zou onleefbaar zijn moest elke handeling, overtuiging en beslissing het product zijn van moeizame, bewuste en dus trage cognitieve processen) en kan in de meeste gevallen ook vertrouwd worden. Maar in sommige contexten maakt het ons ‘voorspelbaar irrationeel’. Daar moeten we ons van bewust worden en zo kunnen we systeem 2 inschakelen en de cognitieve valkuilen ontwijken waar systeem 1 ons mee opgezadeld heeft.

Verworven intuïties

Intuïtief denken komt echter ook voort uit een tweede bron. Automatische en onbewuste denkprocessen zijn niet enkel vervaardigd door natuurlijke selectie (en dus genetisch verankerd), maar worden ook gevormd door de ervaringen die we opdoen. Denk bijvoorbeeld aan autorijden. Aanvankelijk, wanneer je het voor het eerst leert, gebeurt alles bewust (en traag): sleutel in het contact draaien, ontkoppelen, in eerste versnelling schakelen, in de spiegel kijken, etc. Alles gaat via systeem 2. Na genoeg oefenen, echter, gebeuren deze handelingen automatisch en onbewust. Systeem 1 heeft het van systeem 2 overgenomen. Iets gelijkaardigs zien we bij vele vormen van expertise. Door bepaalde cognitieve taken herhaaldelijk uit te voeren, kunnen we deze taken op de duur automatisch, onbewust, en accuraat uitvoeren.

In zijn boek ‘Blink’, waarin hij de kracht van intuïtief denken aanprijst, geeft Malcolm Gladwell (2005) twee sprekende voorbeelden hiervan. Een eerste voorbeeld betreft ‘chick sexing’: het geslacht bepalen van kuikens. Het geslacht is bij kuikens blijkbaar moeilijk te bepalen en mensen volgen dan ook een opleiding om dit zo accuraat en snel mogelijk te doen (want de economische belangen zijn groot om zo snel mogelijk de haantjes van de kipjes te scheiden). Er is geen enkel kenmerk waardoor men met zekerheid kan zeggen dat het een kip of een haan betreft, maar eerder een aantal kenmerken die meer bij kippen voorkomen dan bij hanen en vice versa. Volleerde ‘chick sexers’ hebben hier zoveel ervaring mee dat ze met grote accuraatheid haantjes van kipjes in een oogopslag kunnen onderscheiden. Opmerkelijk is dat ze dat louter op gevoel doen en geen bewuste afweging maken (vandaar uiteraard dat ze de klus in een oogopslag kunnen klaren). Met andere woorden, door uitgebreide ervaring hebben deze ‘chick sexers’ een intuïtief onderscheid leren maken tussen mannelijke en vrouwelijke kuikens.

Gladwells (2005) tweede voorbeeld gaat over een vermeend antiek kunstwerk dat door een reeks testen als authentiek werd bevestigd. Toen een kunstkenner het echter onder ogen nam wist hij het werk in één oogopslag te ontmaskeren als een vervalsing. Hij kwam niet tot dat besluit door een bewust denkproces, maar voelde het intuïtief aan. Ook hier heeft de uitgebreide ervaring van de expert vormgegeven aan automatische en onbewuste denkprocessen die leiden tot intuïtief betrouwbare oordelen (het kunstwerk was – zo bleek achteraf – wel degelijk een vervalsing). Intuïtie voortkomend uit deze bron is dus (over het algemeen) juist wel betrouwbaar. Tenminste wanneer de intuïtie volgt uit een betrouwbaar leerproces.

Handleiding bij intuïties

Om terug te keren op de vraag of we al dan niet onze intuïtie mogen vertrouwen, moeten we dus het volgende in acht nemen. Eerst moeten we ons afvragen wat de oorsprong van onze intuïtie is: is het een verworven intuïtie als gevolg van een leerproces of een aangeboren intuïtie? Als het een aangeboren intuïtie is, moeten we ons afvragen of het domein waarin we de intuïtie toepassen, een domein is waarin onze intuïties over het algemeen betrouwbaar zijn. Betreft het een ‘ecologisch valide’ domein, of een domein waar die intuïties niet voor ontwikkeld zijn? In dat laatste geval moet een alarmbelletje afgaan en ons waarschuwen dat onze intuïtie volgen niet aangewezen is.

Emoties

Tot zover de ‘handleiding’ voor het omgaan met intuïties. Irrationaliteit komt echter niet enkel voort uit automatische en onbewuste denkprocessen, een andere illustere bron is onze emotie. Ons denken staat, zoals reeds besproken, niet (altijd) los van ons voelen. Emoties spelen niet enkel een belangrijke rol in de selectie van de overtuigingen die we aan boord nemen door onze ingroup - outgroup bias, maar ook in de keuze van overtuigingen die we weigeren over boord te gooien. We blijken veelal emotionele banden ontwikkeld te hebben met onze overtuigingen. Dat geldt uiteraard voor religieuze overtuigingen, maar bijvoorbeeld ook voor de overtuigingen die onze sociale, politieke of morele standpunten ondersteunen, en in het algemeen voor standpunten die we in het verleden met veel overtuiging hebben verdedigd.

Irrationele vormen van ‘cognitieve dissonantiereductie’

Wanneer er vervolgens sterke tegenbewijzen komen (sterk genoeg om door de filter van onze confirmation bias heen te prikken) doet er zich een vorm van ‘cognitieve dissonantie’ voor. Onze overtuigingen stroken niet met de informatie die uit de werkelijkheid komt. Dat vinden we doorgaans onaangenaam. We zien onszelf immers bij voorkeur als rationele wezens (wezens die de wereld juist voorstellen) en aanvaarden, al gevolg, zo’n dissonantie tussen onze overtuigingen en de wereld niet zomaar. Als kritische denkers zouden we dan uiteraard de dissonantie moeten wegwerken door onze overtuigingen over boord te gooien of toch tenminste bij te stellen. Maar als emotionele wezens weigeren we dit veelal te doen. In de plaats daarvan doen we op een andere (irrationele!) manier aan ‘dissonantiereductie’. We gaan onze overtuigingen niet aanpassen aan de buitenwereld, maar onze perceptie van de buitenwereld aan onze overtuigingen. Met andere woorden, omdat we die overtuigingen zodanig koesteren, verzetten we ons tegen de ontmaskering van deze overtuigingen door de interpretatie van de feiten aan te passen.

Een sprekend voorbeeld daarvan komt (alweer) uit de wonderlijke wereld van de sekten. Een sektarische groep in de Verenigde Staten meende dat er op de ochtend van 21 december, 1954, een zondvloed zou plaatsvinden waar de hele wereld ten onder aan zou gaan. Ze dachten dat zij net voor de zondvloed gered zouden worden door een vliegende schotel afkomstig van de planeet Clarion. Leon Festinger (1957), een psycholoog, greep dit aan als een unieke kans om te bestuderen wat er gebeurt als overtuigingen waar men emotioneel sterk verbonden mee is, onmiskenbaar fout blijken te zijn. Daar stonden de sekteleden dan, op de ochtend van 21 december, klaar om de vliegende schotel te betreden en … er gebeurde niets, geen vliegende schotel en geen zondvloed. Wat zouden ze doen?

Sommigen verlieten gedesillusioneerd de sekte. De meesten leden echter bleven vasthouden aan hun overtuiging en bedachten een bijzondere verklaring voor de feiten: God had de wereld volgens hen op het laatste nippertje van de vernietiging gered, net omdat de kleine groep gelovigen zoveel licht had verspreid. Een prachtig voorbeeld van irrationele dissonantiereductie: de overtuiging wordt niet aangepast aan de feiten in de buitenwereld, maar de feiten in de buitenwereld worden op zo’n manier geïnterpreteerd dat de overtuiging overeind blijft. En op een veel subtielere wijze (gelukkig maar!) zijn we er allemaal vatbaar voor.

Denk bijvoorbeeld aan degene die milieubewust wil leven maar daarvoor zijn vervuilende auto niet wil verkopen en dat op allerlei manier rationaliseert (als ik hem verkoop rijdt een andere er toch mee, het broeikaseffect is voornamelijk aan vee te wijten, één auto maakt het verschil niet, enz.); of de roker die liever gezond wil leven en de gezondheidsrisico’s van roken minimaliseert of bedenkt dat hij misschien zal aankomen wanneer hij stopt met roken en dat ook ongezond is; of de topsporter die doping neemt, maar zichzelf niet als valsspeler wil zien en dat rationaliseert met de gedachte dat ‘iedereen het doet’.

Dit zijn uiteraard nog enigszins onschuldige, of toch tenminste kleinschalige voorbeelden, maar het psychologisch mechanisme van irrationele dissonantiereductie kan verstrekkende en ingrijpende gevolgen hebben. Denk bijvoorbeeld aan een politicus die zijn hele leven klimaatopwarming heeft geminimaliseerd. Hij of zij zal geneigd zijn bij nieuwe informatie over de impact van broeikasgassen op het klimaat ook daar heel sceptisch tegenover te staan. Hetzelfde geldt voor socio-economische standpunten en andere belangrijke dossiers waar politici een standpunt hebben ingenomen. Ze blijken geneigd zich alleen maar dieper in hun standpunt in te graven in het licht van tegenbewijs, met alle gevolgen van dien.

Hoe leggen we de confirmation bias aan banden?

Naast intuïties en emoties, zagen we hoe ook ons bewust en reflectief denken ons om de tuin kan leiden. Hier vallen we ten prooi aan de confirmation bias en de daaruit volgende overconfidence bias. Het succes van de moderne wetenschappen, zo zagen we in het vorige hoofdstuk (en bespreken we verder in hoofdstuk 7), hebben we voornamelijk te danken aan de ingebouwde beschermingsmechanismen tegen deze universele menselijke bias. Op een gelijkaardige manier kunnen we ons eigen denken beschermen.

We kunnen dat doen op twee manieren. Enerzijds kunnen we de confirmation bias aan banden leggen door – naar het voorbeeld van Darwin (zie vorig hoofdstuk) – ons er bewust van te zijn dat we die hebben en daarom een bewuste inspanning leveren om aandacht te schenken aan (mogelijke) tegenargumenten en tegenbewijs. We kunnen, met andere woorden, advocaat van de duivel spelen in ons eigen denken. Wanneer we tot een overtuiging komen gaan we dan niet – zoals we geneigd zijn te doen – op zoek naar ondersteunend bewijs, maar juist naar tegenbewijs.

Een tweede manier om onze confirmation bias aan banden te leggen, is door ons te omringen met (en te luisteren naar) mensen die er anders over denken. Ook dat zijn we niet geneigd vaak te doen. Met elkaar in discussie gaan is niet onze favoriete sociale activiteit (we zoeken liever gelijkgestemden op) en toch hebben we er alle baat bij als we ons denken op het rechte pad willen houden. Ondernemingen zijn bijvoorbeeld gebaat bij een bestuur waarin meningsverschillen voorkomen én geuit kunnen worden.

’The wisdom of the crowds’

Anderen zijn namelijk heel goed in het ontmaskeren van de denkfouten in onze overtuigingen, net als wij heel goed zijn in het ontmaskeren van de denkfouten die in de overtuigingen van anderen zijn binnengeslopen. Enkel kunnen we dit niet zo goed bij onszelf (zie de ‘bias blind spot’, besproken in de appendix). Groepen komen dan ook doorgaans tot juistere overtuigingen dan individuen. Dat fenomeen wordt ook wel de ‘wisdom of the crowds’ genoemd (Surowiecki, 2004).

In het begin van de 20ste eeuw ontdekte Francis Galton, Darwins neef, dit fenomeen. Een grote groep werd gevraagd om het gewicht van een os te schatten. De mediaan van die antwoorden, zo ontdekte Galton, zat er minder dan 1% naast zat! Hoe groter de groep en de diversiteit binnen de groep én hoe meer de meningen van de individuen binnen de groep onafhankelijk van elkaar gevormd zijn, hoe accurater de groep wordt. De reden hiervoor is dat zo’n vorm van groepsdenken corrigeert voor de individuele fouten en tunnelvisie van elk van de leden van de groep.

Grote groepen bestaande uit leken blijken zelfs vaak betere voorspellingen te maken in economische en politieke contexten dan de beste experts! Van cruciaal belang, echter, is dat de groep zich niet als een groep gedraagt. De leden mogen niet met elkaar communiceren, elkaar beïnvloeden of elkaar proberen te overtuigen. Dan steken sociale emoties zoals conformisme (ingroup bias) namelijk de kop op en verdwijnt de ‘wijsheid van de massa’.

’The overconfidence bias’

Door op deze manier onze overtuigingen kwetsbaar te maken, geraken we ook af van die andere redeneerfout die volgt uit de confirmation bias, namelijk de overconfidence bias. We zijn doorgaans veel zekerder van ons eigen gelijk dan gerechtvaardigd is. Uit onderzoek blijkt dat mensen die de kans dat ze fout zijn inschatten als 1 op 100, slechts in 73% van de gevallen daadwerkelijk gelijk hebben. Zelfs degenen die zo zeker zijn dat ze de kans dat ze fout zijn inschatten tussen 1 op 1000 en 1 op 1000000, hebben het slechts in 85% van de gevallen bij het rechte eind (Fischhoff et al., 1977)!

Zeker zijn van ons gelijk blijkt ook negatief gecorreleerd te zijn met de accuraatheid van onze voorspellingen. Mensen die doorgaans heel zeker van zichzelf zijn, voorspellen veel slechter dan mensen die minder zeker zijn. In het licht van de confirmation bias is dat niet verwonderlijk. Hoe zekerder we ons voelen, hoe groter de oogkleppen die we opgezet krijgen en hoe blinder we worden voor tegenbewijs. Om dit tegen te gaan, moeten we uit ons eigen denken treden. We moeten onze overtuigingen gaan blootstellen aan de kritische blik van anderen. Enkel zo komen we van onze ongefundeerde zekerheden af. Enkel zo boren we de wijsheid van de massa aan.

’The extended mind thesis’

Dat brengt me bij een meer algemene observatie. De grote verwezenlijkingen van Homo sapiens zijn niet zozeer het product van zijn ‘naakte’ intellect of zijn grote hersenmassa. Hiermee geraakten we voor tientallen millennia niet veel verder dan vuur stoken en rudimentaire werktuigen maken. Wat de grote culturele sprong voorwaarts heeft mogelijk gemaakt is niet zozeer onze hersenactiviteit in isolatie, maar het gebruiken van externe elementen in ons denken. Deze gedachte ligt aan de basis van de invloedrijke ‘extended mind thesis’ (Clark & Chalmers, 1998). Onze geest (of onze denkprocessen) strekken zich uit buiten de grenzen van ons hoofd. Denk bijvoorbeeld aan de manier waarop we ons zaken herinneren door ze op te schrijven, of de weg vinden dankzij wegwijzers, of rekenmachines gebruiken voor complexere berekeningen.

Drie hefbomen voor ons denken

Grofweg kunnen we drie soorten externe elementen onderscheiden die een hefboomeffect uitoefenen op ons denken. De eerste hefboom bestaat uit andere geesten. Alle grote wetenschappelijke ontdekkingen en technologische doorbraken zijn het product van een samenwerking van geesten (van het intellect van mensen). Het gaat hier zowel om een samenwerking door de tijd heen – wetenschappers bouwen verder op het werk van vorige generaties wetenschappers – als om een synchronische samenwerking (wetenschappers werken in team of toetsen hun ideeën af bij anderen). Het belang hiervan kan haast niet overschat worden. Volgens de vooraanstaande primatoloog en psycholoog Michael Tomasello (2009), is de belangrijkste cognitieve vaardigheid van de mens – en de vaardigheid die het verschil in culturele complexiteit tussen mens en andere diersoorten verklaart – ons vermogen om kennis samen te brengen en op kennis van anderen voort te bouwen.

De tweede hefboom bestaat uit de cognitieve artefacten die we hebben ontwikkeld. Deze stellen ons in staat om op een heel andere manier naar de werkelijkheid te kijken. Wiskunde, bijvoorbeeld, biedt ons een radicaal nieuwe manier om data uit onze omgeving te interpreteren. Taal stelt ons niet enkel in staat om met elkaar te communiceren en onze kennis te delen (zoals aangegeven hierboven), maar ook om te denken over ons denken, en dat denken bijgevolg in vraag te kunnen stellen. Om een representatie van de wereld immers in twijfel te trekken, moet je je allereerst bewust zijn van het feit dat je die representatie bezit. Enkel door een representatie in taalvorm te gieten, kunnen we ons ervan bewust worden (en kunnen we die veranderen).

De derde hefboom bestaat uit de instrumenten waarop we beroep doen. Deze werktuigen variëren van het schrift waarmee we de mogelijkheden van ons geheugen radicaal uitbreiden maar ook lange en complexe redeneringen mee ondersteunen (denk aan het gebruik van schrift om lange rekensommen te maken), tot technologische werktuigen waarmee we het bereik van onze zintuigen uitbreiden (bijvoorbeeld telescopen), of complexe computationele bewerkingen mee kunnen uitvoeren (bijvoorbeeld rekenmachines en computers).

Denken ‘outsourcen’

De kracht van ons denken bevindt zich dus niet zozeer tussen onze oren maar juist buiten ons hoofd. Om goed te denken moeten we de buitenwereld erbij betrekken. We moeten een beroep doen op andere geesten, en op cognitieve en technologische artefacten. We moeten het denken in zekere zin ‘outsourcen’ of uitbesteden. Een goed recent voorbeeld daarvan is het succes van ‘statistical prediction rules’. Dit zijn formules waarbij aan relevante factoren een bepaald statistisch gewicht worden gegeven om zo tot een voorspelling te komen. Zo werd er bijvoorbeeld een formule ontwikkeld om de prijs van wijn te voorspellen bij een veiling, gebaseerd op de leeftijd van de wijnranken en allerlei klimatologische factoren. Zulke formules blijken doorgaans meer accurate voorspellingen te genereren dan de beste experts (en doen zo goed als nooit slechter)!

Statistical prediction rules stellen ons in staat om beter te voorspellen in een enorme hoeveelheid aan verschillende contexten. Bijvoorbeeld om de kans op slagen van een huwelijk in te schatten, of de kans op recidivisme bij criminelen, maar ook bij het stellen van medische diagnoses, het inschatten van kredietrisico voor banken, de kans op slagen van een onderneming, en zelfs het voorspellen van de productiviteit van een sollicitant. Met betrekking tot dat laatste blijkt dat je de sollicitant beter niet kan uitnodigen voor een gesprek, omdat zulke ongestructureerde sollicitatiegesprekken de kans om de beste kandidaat voor de positie aan te trekken aanzienlijk naar beneden haalt! En in tijden waar die statistical prediction rules losgelaten worden op alsmaar grotere databestanden (big data), wordt de accuraatheid van deze voorspellingen dan ook enkel groter.

De ‘take away message’ is dat om beter (lees kritischer) te denken, we eerst en vooral de beperkingen van ons denken onder ogen moeten zien. Allen zijn we vatbaar voor (dezelfde) cognitieve illusies, en allen zijn we geneigd om de waarschijnlijkheid van onze overtuigingen te overschatten. Een kritisch denker is iemand die zijn oogkleppen weet af te zetten. Iemand die met een gezonde dosis twijfel zijn of haar eigen overtuigingen in beschouwing neemt én ook altijd bereid is die overtuigingen bij te stellen in het licht van nieuwe informatie. Dat doen we echter niet spontaan. Het gaat in tegen onze natuur. Vandaar dat kritisch denken een bewuste inspanning vergt. Het is een gedisciplineerde vorm van denken.

Denken over denken

De kern van kritisch denken is dan ook denken over denken. We moeten leren er een gewoonte van te maken om ons af te vragen of we ons denken kunnen vertrouwen. We moeten nagaan op wat een overtuiging gebaseerd is: intuïtie of redenering? Of er zich mogelijke cognitieve valkuilen voordoen? Of we emotioneel verbonden zijn met onze standpunten? Of we gebruik hebben gemaakt van alle beschikbare externe hefbomen? En vooral, of we de output van ons eigen denken blijvend in vraag stellen? Albert Einstein, één van de belangrijkste denkers uit de recente geschiedenis, zou het volgende gezegd hebben: ‘It is not that I am so smart. But I stay with the questions much longer.’ Dát is kritisch denken.

Samenvatting

Hoe kunnen we ons beschermen tegen denkfouten die volgen uit onze:

Intuïties
Ga hun oorsprong na

  • Aangeboren intuïties: enkel betrouwbaar in ecologisch valide context

  • Verworven intuïties: doorgaans betrouwbaar

Emoties
Wees op je hoede voor irrationele cognitive dissonance reduction!


Confirmation bias – Overconfidence bias (systeem 2 redeneerfouten)

  • Wees je ervan bewust!

  • Speel advocaat van de duivel in eigen denken

  • Omring je door andersgezinden

Wat is de ’wisdom of the crowd’?

Wanneer aan een grote groep leken een bepaalde inschattingsvraag wordt gesteld – en wanneer de antwoorden onafhankelijk worden geformuleerd – dan blijkt de mediaan van de antwoorden heel dicht in de buurt te komen van het juiste antwoord.

Wat is de ’extended mind hypothesis’?

Onze geest (of onze denkprocessen) strekken zich uit buiten de grenzen van ons hoofd.

Welke drie externe hefbomen gebruiken we in ons denken?

  • Andere geesten

  • Cognitieve artefacten

  • Instrumenten

Comments
0
comment

No comments here

Why not start the discussion?