Skip to main content
SearchLoginLogin or Signup

6. Het Belang van Kritisch Denken

Published onJul 21, 2022
6. Het Belang van Kritisch Denken
·

Bestaan er weldadige illusies?

Nu we besproken hebben hoe we kritisch kunnen denken, rest de vraag nog waarom we kritisch zouden moeten denken. Dat is niet altijd vanzelfsprekend. Sommige illusies hebben misschien wel nut. De bekende Franse auteur, Marcel Proust (1949), bijvoorbeeld, dacht dat sommige illusies nodig zijn om het leven draaglijk te maken. In zijn meesterwerk ‘Op zoek naar verloren tijd’ laat hij het volgende optekenen: ‘Om de werkelijkheid tot iets draaglijks te maken moeten wij een klein aantal dwaasheden in onze gedachten levendig houden’. We hadden het reeds over de zelfoverschatting van de psychisch gezonde mens (in tegenstelling tot de depressieve realist). Marx beschouwde religie als opium van het volk. En wat is er mis met een goede placebo?

Neem bijvoorbeeld homeopathie. Als mensen geloven in de werkzaamheid ervan en er dus een mooi placebo-effect van krijgen, wat is dan het probleem? Moeten we zo nodig hun illusie doorprikken? Een gelijkaardige redenering kan voor religie gemaakt worden. Het geloof in een hiernamaals, een onsterfelijke ziel en liefhebbende God die over ons waakt kan een enorme psychologische steun zijn voor mensen. Wie zijn wij om hen dit af te nemen? Iedereen is uiteraard vrij te geloven wat hij of zij wil. Daartegen ingaan zou juist het omgekeerde van kritisch denken zijn. Dat zou fundamentalistisch en dogmatisch denken zijn.

Toch moeten we op onze hoede zijn voor illusies, en dat om twee redenen. Eerst en vooral komen illusies doorgaans met een donkere keerzijde van de medaille. Neem onwetenschappelijke en alternatieve vormen van gezondheidszorg. Zolang mensen er naar grijpen bij aandoeningen die niet bedreigend zijn (waarvan je dus zonder medicatie geneest of wanneer het louter supplementen ter ondersteuning van de algemene gezondheid betreft) is er niet echt een probleem. Maar tot die aandoeningen en middelen beperken beoefenaars van alternatieve behandelingen zich niet altijd. Er zijn homeopathische middelen die zogezegd beschermen tegen malaria. Sommige patiënten met ernstige aandoeningen (zoals kanker) verkiezen ook alternatieve therapieën boven de ‘klassieke’ geneeskunde. Tenslotte zetten sommige (en steeds meer) alternatieve therapeuten hun patiënten aan om zich (en hun kinderen) niet te laten vaccineren. Er gaan namelijk volstrekt ongefundeerde geruchten in deze cirkels de ronde dat vaccinaties nefast zijn voor de gezondheid, en kunnen leiden tot bijvoorbeeld autisme. Dat heeft belangrijke gevolgen voor de ongevaccineerde kinderen én voor de samenleving in haar geheel, want zo zetten we de deur open voor dodelijke ziektes. Hier wordt een grens overschreden en houdt de alternatieve therapie op onschuldig te zijn. De prijs voor illusies in deze context zijn mensenlevens. Ook de donkere keerzijde van andere illusies, zoals religie, zou duidelijk moeten zijn. Daar komen we later nog op terug.

De tweede reden waarom we voorzichtig moeten zijn met illusies is omdat illusies – zoals we in hoofdstuk 2 gezien hebben – de neiging hebben zich te vertakken in ons denken. We willen er namelijk een coherent wereldbeeld op nahouden en dus brengen illusies doorgaans meer illusies voort. Zo blijken mensen die geloven in de voorspellende kracht van astrologie ook een stuk vatbaarder te zijn voor andere illusies zoals het bestaan van mediums, helderzienden, en bijvoorbeeld ‘energy healing’. Zelfs indien een illusie dus enkel positieve effecten zou hebben, is het niet ondenkbaar dat het ons vatbaarder maakt voor illusies die wel schadelijk kunnen zijn. Onzin kunnen we namelijk niet selectief binnenlaten. Eens we de deur ervoor openzetten, zelfs al is het maar op een kier, kan er van alles binnenkomen (Boudry, 2016).

De impact van irrationaliteit op de wereld

’Overconfidence’ en oorlog

Veel belangrijker dan de impact van irrationaliteit op ons eigen leven, is de impact van irrationaliteit op de wereld. Door de bril van het kritisch denken verschijnen veel van de belangrijke problemen in de wereld in een nieuw daglicht. Het voeren van oorlog, bijvoorbeeld, blijkt gevoed door een stevige overconfidence bias aan minstens een kant. Als je niet gelooft dat je zal winnen, trek je over het algemeen niet ten strijde.

Volgens de historicus Geoffrey Blainey (1988) is blind optimisme het cruciale voorspel van elke oorlog. Neem de Eerste Wereldoorlog. Beide partijen meenden dat ze de klus in enkele maanden zou klaren, en ze het kerstfeest van 1914 als overwinnaars thuis zouden vieren. In de aanloop naar oorlogen heerst er over het algemeen een gevoel van euforie en strijdlustigheid, vooral bij de jonge mannen die ten strijde zullen trekken. Een euforisch gevoel dat echter als sneeuw voor de zon verdwijnt wanneer het droeve schouwspel eenmaal begonnen is en veel langer aansleept dan verwacht.

Die overconfidence kan volgens de politieke wetenschapper Dominic Johnson (2004) het verschil maken tussen oorlog en geen oorlog. Er is dan ook een verband tussen de vorm van politieke besluitvorming en de kans dat militaire acties ondernomen worden. In maatschappijen waar een politiek debat voorafgaat aan de besluitvorming (zoals over het algemeen in democratische samenlevingen het geval is) en de overconfidence bias van enkelingen dus veelal getemperd wordt, ligt de kans op het ondernemen van militaire acties aanzienlijk lager dan in maatschappijen waar dat niet het geval is.

Ook de manier waarop de protagonisten met inlichtingen omgaan speelt een rol. Wanneer ze nuchter en objectief informatie analyseren – lees: het hoofd koel houden en de rede laten leiden – kan oorlog in vele gevallen vermeden worden. Denk hierbij aan de Koude Oorlog waarin een nucleair armageddon vermeden werd door het doordacht optreden en onderhandelen van president Kennedy en Chroesjtsjov (evenals de diplomaten van beide kanten). Bij zowel de Vietnamoorlog als de laatste invasie van Irak, waren de Amerikanen echter minder bedachtzaam en vielen ze ten prooi aan de overconfidence bias. Bij de invasie van Irak ging het daarbij niet zozeer over het overschatten van hun militaire overmacht, maar wel wat betreft de heropbouw van de Iraakse samenleving en de nasleep in het algemeen.

Iets gelijkaardigs zien we, volgens mij, terug bij de invasie van Oekraïne door Rusland. Op het moment van het afwerken van dit boek is de oorlog in Oekraïne juist van start gegaan, dus zijn conclusies wat voorbarig. Maar Poetin, de Russische president en autocraat, lijkt de militaire weerstand van Oekraïne onderschat te hebben, en lijkt ook overmoedig in zijn inschatting van hoe deze militaire operatie zal uitpakken voor Rusland en zijn regime.

De ingrediënten van financiële crisissen

Diezelfde ‘positieve illusies’ – overconfidence en de illusie van controle – leiden ook in andere contexten tot ravages. De financiële wereld is daar een goed voorbeeld van. Denken dat je de markt kan voorspellen blijkt een illusie te zijn waar zogenaamde beursexperts heel vatbaar voor zijn. Complexe modellen en strategieën ten spijt, blijken experts zo goed als geen vat te hebben op wat de markt zal doen. De econoom Burton Malkiel (2003) stelt het bijzonder scherp. Volgens hem kan een aap die met pijltjes gooit naar de financiële pagina’s van de krant een even goede portefeuille samenstellen als financiële experts!

Toch blijven we heel naarstig zoeken naar patronen in de bewegingen van de markt (herinner je onze voorliefde voor patronen) en ontwikkelen we ijverig modellen om orde in de chaos te scheppen. Ook kijken we met z’n allen op naar de grote winnaars van het beursspel, naar diegenen die de markt met een grote marge hebben verslaan (soms meerdere jaren op een rij) en daarin zien we het bewijs dat de markt inderdaad voorspeld kan worden. Maar voor elke winnaar zijn er vele verliezers en we onderschatten de rol die geluk speelt schromelijk. De correlatie tussen de prestaties van tophandelaars over opeenvolgende jaren is immers zo goed als nul!

Maar de valse perceptie van controle die in de hand gewerkt wordt door onze overconfidence bias, hyperactive pattern detection, en de succes bias (het feit dat we meer over succesvolle dan over onsuccesvolle investeerders horen en geneigd zijn de toevalsfactor te onderschatten) is niet zonder gevolgen. Het maakt investeerders vaak blind voor de risico’s. Zo’n cultuur werkt zeepbellen en crisissen in de hand. Over de oorzaak van de financiële crisis van 2008 stelde een Verenigde Naties-rapport dan ook dat ‘de illusie van risicovrije winsten een vrijgeleide vormde voor spilzucht’.

Het is uiteraard ook problematisch dat de ‘incentive’ structuur binnen financiële instellingen (het bonussysteem) korte termijn winstbejag en het nemen van risico’s in de hand werkt. De menselijke natuur (en dan vooral de mannelijke – vrouwen blijken wijzere investeerders te zijn) doet de rest. De prijs voor de irrationaliteit van de investeerders en financiële instellingen, komt echter op rekening van de gehele samenleving. Die mag opdraaien voor de crisissen.

Wat met religie?

Zijn illusies dan nooit heilzaam? Traditiegetrouw werd alvast één domein van illusies als heilzaam en zelfs als noodzakelijk beschouwd. Dat domein is religie. Napoleon, die zelf niet bijzonder religieus ingesteld was, dacht desalniettemin dat religie absoluut noodzakelijk was voor de sociale orde. Ook Georges Washington, de eerste president van de Verenigde Staten, dacht er zo over. ‘Religion and morality are the essential pillars of civil society’, zou hij gezegd hebben. Religie werd traditioneel als fundament van moraliteit beschouwd. En zo denken veel gelovigen er nog steeds over. In de ‘bible belt’ in de Verenigde Staten (de Zuiderlijke staten van de VS die heel religieus zijn) vertrouwt men atheïsten het minst. Minder dan elke andere minoriteit, zelfs moslims en dit na 9/11. Ze redeneren als volgt: aangezien atheïsten niet geloven in een god, hebben ze ook geen reden om moreel te handelen.

Religie en moraliteit

In het hoofdstuk over de domeinen van irrationaliteit zagen we wat de cognitieve voedingsbodem voor religie was. We hadden het over ‘hyperactive agency detection’, intuïtief dualisme en een voorkeur voor teleo-functionele verklaringen. De reden waarom elke menselijke samenleving doorheen de geschiedenis religieuze geloofsovertuigingen bezit, heeft op zich dus niets te maken met moraliteit. En voor het overgrote deel van de menselijke geschiedenis waren religieuze overtuigingen ook niet gelinkt aan morele normen.

Animistische religies in jagersverzamelaarsgemeenschappen leggen over het algemeen geen morele normen op en ook in bijvoorbeeld de Griekse en Romeinse polytheïstische religies waren de goden noch toonbeelden van moraliteit, noch strenge toezichthouders op het moreel gedrag van de gelovigen. Moraliteit is dus eerder recent in religie binnengeslopen. Volgens de psycholoog Ara Norenzayan (2013), werden morele normen geïntegreerd in religies omdat groepen met zulke morele religies beter in staat waren om binnen de groep samen te werken én omdat de integratie van moraliteit in religie een ‘harmonieuze samenwerking’ mogelijk maakte in steeds grotere groepen. Strenge en waakzame goden, zo denkt Norenzayan, hebben een cruciale rol gespeeld in het bijeenhouden van groepen die steeds groter werden. De opkomst van grote samenlevingen ging hand in hand met de opkomst van wat Norenzayan ‘grote morele goden’ noemt (de machtige en immoreel gedrag afstraffende goden in religies zoals het Jodendom, het Christendom, en de Islam).

De morele impuls van die grote goden brengen echter vaak met een donkere keerzijde met zich mee. Religieuze ‘prosocialiteit’ – zoals het in de literatuur genoemd wordt – werkt in twee richtingen. Enerzijds verhoogt het de samenwerking, harmonie en het altruïsme binnen de groep. Anderzijds verhoogt het vaak ook de onverdraagzaamheid en zelfs hostiliteit tegenover andere groepen. Het cultureel succes van die ‘morele’ religies is niet enkel het product van het versterken van de banden binnen de groep, maar ook van het versterken van de competitie met andere groepen.

Denk aan de twee grote monotheïstische religies: het Christendom en de Islam. De geschiedenis van deze religies is gevuld met godsdienstoorlogen, veroveringen, en proselitisme (het ‘bekeren’ van niet gelovigen). Hun cultureel succes – en dat is niet gering: vandaag is meer dan de helft van de wereldbevolking ofwel christelijk of moslim – is niet enkel te wijten aan de harmonie die ze creëren binnen de groep, maar evenzeer (of zelfs meer) aan de onverdraagzaamheid die ze in zich dragen tegenover groepen met andere religieuze overtuigingen.

Wanneer we het dus hebben over religie en moraliteit, moeten we altijd in acht blijven nemen dat de morele normen die religies uitdragen voornamelijk – of in elk geval oorspronkelijk – gericht zijn op de relaties binnen de groep, en dat dit conflict met zich kan meebrengen tussen groepen waar verschillende religies elk op hun eigen manier harmonie binnen de groep creëren. Overigens kan religie ook een rem op morele vooruitgang betekenen. Door terug te grijpen naar eeuwenoude teksten en voorschriften, kunnen de morele normen die religies uitdragen niet zo gemakkelijk aangepast of verbeterd worden. Denk bijvoorbeeld aan het standpunt van de Rooms-katholieke kerk of van de Islam over homoseksualiteit.

Kritisch denken en morele vooruitgang

Echte morele vooruitgang, daarentegen, komt juist voort uit rationeel, kritisch denken. Dat klinkt misschien vreemd. Wat heeft moraliteit nu met rationaliteit te maken? Leidt ‘koele’ rede niet juist tot immoreel gedrag? Denk hierbij aan het nazisme, of aan de meedogenloze ‘homo economicus’, wiens enig doel persoonlijk winstbejag is. Rationaliteit op zich leidt inderdaad niet automatisch tot moreel gedrag. Het is amoreel: noch moreel, noch immoreel. Maar toch is het precies ons redeneringsvermogen en ons vermogen tot kritisch denken dat het proces van morele vooruitgang op gang brengt.

De bekende Australische moraalfilosoof, Peter Singer (1993), noemt dit de ‘escalator of reason on morality’ (het roltrapeffect van de rede op de moraliteit). Door over moraliteit te redeneren, komen we tot moreel gedrag dat ver afstaat van het soort gedrag waarvoor natuurlijke selectie ons met morele intuïties heeft uitgerust. Dat was immers louter bedoeld voor samenwerking binnen de groep. Rede – in tegenstelling tot religie, die doorgaans deze ingroup - outgroup bias enkel versterkt – toont ons echter dat er geen principiële reden is waarom moreel gedrag beperkt zouden moeten worden tot interacties met groepsgenoten. Daarom, beweert Singer, hebben we de morele cirkel kunnen uitbreiden.

Ook kan rede in sommige gevallen bepaalde morele intuïties verwerpen. Een goed voorbeeld hiervan is de intuïtieve morele aversie, aanwezig in vele samenlevingen in het verleden, jegens homoseksualiteit. De eerste moderne Westerse denker die hiertegen inging was de Britse moraalfilosoof Jeremy Bentham (18de eeuw). Hij deed dat door rationeel te denken en zijn emotionele reacties en intuïties te negeren. Bentham beargumenteerde dat homoseksualiteit geen schade berokkent en dat het verbieden van homoseksualiteit leed met zich meebrengt. Daarmee keerde hij zich tegen de Christelijke traditie die zich sterk verzette tegen homoseksualiteit, omdat het ‘onnatuurlijk was en tegen de wil van God inging’.

De natuurlijke selectie van morele intuïties

Net zoals onze aangeboren intuïties in het domein van de kennis geëvolueerd zijn met als enig doel om onze verre voorouders zo goed mogelijk in staat te stellen om te reproduceren, zijn ook onze morele intuïties met dit enige doel voor ogen door natuurlijke selectie vervaardigd. Dat deden deze intuïties door samenwerking en harmonie te versterken binnen de groep en argwaan en hostiliteit naar rivaliserende groepen in de hand te werken. Ze leiden dan ook niet altijd tot het beste resultaat. En al helemaal niet niet in de moderne geglobaliseerde context.

Onze ingroup – outgroup bias, waarover we het reeds gehad hebben, zadelt ons op met racisme en grootschalige oorlogen in de moderne context waar mensen van verschillende etnische en culturele afkomsten samenleven en groepen (en coalities tussen groepen) steeds groter worden. Ook blijken we – zoals hierboven aangegeven – makkelijk te bezwijken voor ongefundeerde intuïtieve aversies tegen bepaalde vormen van gedrag zoals tegen homoseksualiteit. Tenslotte, zijn we geneigd om het gebrek aan conformisme van groepsleden (bijvoorbeeld bij het overtreden van conventionele taboes) met geweld af te straffen. De menselijke natuur is wat ze is, en ze is zeker niet perfect. Het goede nieuws is dat de mens zichzelf kan en heeft verbeterd, en daarvoor kunnen we enkel ons vermogen tot kritisch denken voor danken.

Vier eeuwen van morele vooruitgang

Door rationeel na te denken over moraliteit kunnen we dus morele vooruitgang boeken. Vanaf het moment dat filosofen (autonoom en rationeel) gingen nadenken over moraliteit – met name na de Middeleeuwen waarin moraliteit het exclusieve domein van religie was – zien we dan ook een enorme golf van morele vooruitgang die nog altijd aan de gang is. Vergelijk, in deze context, Europa in de 15de eeuw met onze samenleving vandaag. In de 15de eeuw werden vrouwen levend verbrand omdat ze van hekserij werden verdacht, werden religieuze dissidenten gefolterd en vermoord, en was slavernij een geïnstitutionaliseerde realiteit. Ook werd het algemeen aanvaard dat niet-blanke rassen en vrouwen inferieur waren en dat mensen die er een andere (of geen) religie op na hielden verdiend de hel ingingen, waar ze tot in de oneindigheid onderworpen werden aan de meest wansmakelijke folterpraktijken (die uitvoerig beschreven werden vanuit de preekstoel).

We moeten dus af van het beeld van de koele rede tegenover de warme emotionaliteit, en het idee dat rationeel denken niet kan verenigd worden met empathisch en moreel handelen. Het is juist ons rationeel en kritisch denken dat de reikwijdte van onze empathie enorm heeft vergroot en van deze wereld een veel betere plaats heeft gemaakt. En het is nog altijd met behulp van dat kritisch denken dat filosofen vandaag de status quo in vraag stellen en ijveren voor morele vooruitgang.

Denk bijvoorbeeld aan dierenrechten. Filosofen – zoals Singer (zie hierboven) – grijpen onderzoek aan over de emotionele en cognitieve faculteiten van dieren om te argumenteren dat we ook dieren in onze morele cirkel moeten opnemen. Ze doen dit niet op basis van emotionele overwegingen. Hiermee geraak je niet heel ver. De aaibare pandabeer en de elegante dolfijn zouden in dat laatste geval misschien op enige sympathie kunnen rekenen, maar wat met de minder aantrekkelijke soorten? Deze mogen uiteraard niet opdraaien voor het feit dat ze minder goed beantwoorden aan onze esthetische normen.

Kritisch denken en vooruitgang in het algemeen

Het belang van kritisch denken overstijgt echter het domein van de moraliteit. De hele geschiedenis kan herlezen worden als een strijd tussen kritisch en dogmatisch denken. In de geschiedenis van het Westers denken zijn er twee grote kantelmomenten geweest. Het eerste kwam er met de geboorte van de filosofie in het oude Griekenland, het tweede met de aanvang van de moderniteit in de Renaissance. In beide gevallen werd dogmatisch denken door kritisch denken vervangen en in beide gevallen zouden de gevolgen verstrekkend zijn.

In het oude Griekenland poogde men voor het eerst de wereld te begrijpen door autonoom en rationeel na te denken en zich niet meer te beroepen op mythologische verhalen. De filosofie was geboren: een manier van denken die alles in vraag durfde te stellen en antwoorden formuleerde door rationele argumenten naar voor te schuiven. Socrates, die als de vader van de Westerse filosofie wordt beschouwd, zei over zichzelf dat hij de meest wijze man was van Athene, aangezien hij als enige wist dat hij niets wist. Het is op deze diep kritische basis – waar alles wat door de traditie werd overgeleverd in twijfel werd getrokken – dat de filosofie zou verder bouwen. Door deze kritische houding zou de maatschappij ook ingrijpende veranderingen doormaken. De levensstandaard ging omhoog want er kwam meer innovatie en in de politieke filosofie dacht men na over hoe een rechtvaardige maatschappij georganiseerd moest worden. Zo experimenteerde men in Athene in de 5de en 4de eeuw voor Christus voor het eerst met (weliswaar nog niet volledig inclusieve) vormen van democratie.

Iets vergelijkbaars deed zich zo’n 2000 jaar later opnieuw voor toen de Westerse wereld ontwaakte uit een millennium van dogmatisch denken gedomineerd door het Christendom. Autoriteit en traditie werden van hun voetstuk gestoten en kritisch denken kon weer opleven. Ook hier bleven de resultaten niet uit. Uit de moderne filosofie – zoals de filosofie van de 17de en 18de eeuw wordt genoemd – ontstonden enerzijds de (moderne) wetenschappen en anderzijds de moderne politieke- en moraalfilosofie. Zonder overdrijving kan gesteld worden dat we zo goed als alles te danken hebben aan deze heropleving van het menselijk denken. Naast al de technologische innovaties en de exponentieel toegenomen levensstandaard, hebben we ook onze vrijheid en rechten te danken aan het moedig optreden van een aantal grote denkers die rede boven traditie plaatsten.

Irrationaliteit, of zelfs gewoon de afwezigheid van rationele en kritische reflectie, is niet onschuldig. Ze heeft bloed aan haar handen. Het is irrationaliteit dat mensen ertoe aanzet oorlog te voeren in de naam van een God of in de naam van één of ander utopische ideologie (zoals het nazisme, het communisme of een militante vorm van nationalisme). En het is een vergelijkbaar gebrek aan rationeel denken over moraliteit en samenleven dat de mensen ertoe aanzet zich blind over te geven aan hun ingroup – outgroup bias en zich te keren tegen andere groepen, met als enige onderliggende reden dat die groepen anders zijn.

Wandenken leidt tot wantoestanden. Een betere wereld volgt uit beter denken. En dat kan snel gaan. Slechts twee eeuwen van kritisch denken scheiden de hedendaagse periode (19de - 20ste eeuw) van het einde van de Middeleeuwen in de Renaissance. In die periode verving democratie theocratie, werd slavernij afgeschaft, werd de vrouw als evenwaardig beschouwd en stapte men grotendeels af van racistische ideologieën. We leven gemiddeld ook (heel) veel beter en langer en de wereld is (ook al lijkt dat misschien niet altijd zo) nog nooit zo vredevol geweest als vandaag. De kans dat je sterft aan de hand van een andere mens is nog nooit zo klein geweest als vandaag. Nog nooit hebben we het dus zo goed gehad. En dat is voor een groot deel de verdienste van enkele generaties van kritische denkers.

De uitdagingen van vandaag

Ook nu staan we weer voor grote uitdagingen. Voor het eerst ligt het binnen de mogelijkheid van de mens om zichzelf te vernietigen en met de mens uiteraard vele andere diersoorten. Voor het eerst moeten we omgaan en rekening houden met groepen aan de andere kant van de aardbol (denk aan de globale economie). Voor het eerst moeten we ook samenwerken met deze groepen om een voorspoedige toekomst voor allen te verzekeren (denk aan klimaatverandering).

Dat zijn stuk voor stuk uitdagingen waarvoor natuurlijke selectie ons niet heeft uitgerust. Onze sociale emoties en intuïties zijn veeleer hindernissen in deze context. Pessimisten denken dat de mensheid aan haar tragisch sluitstuk bezig is, optimisten argumenteren dat nood verandering met zich meebrengt – ‘necessity is the mother of invention’ – en dat we deze uitdagingen met succes zullen aangaan. Persoonlijk schaar ik mij bij de optimisten. Maar los daarvan staat één iets vast: of de pessimisten dan wel de optimisten gelijk zullen krijgen hangt van één iets af en slechts één iets: zal kritisch denken de bovenhand halen op irrationaliteit?

Ons denken is onze grootste troef en onze grootste bedreiging. Rationeel denken is niet louter een kwestie van intellectuele voorkeur of zelfs van eigenbelang. Het is in de eerste plaats een kwestie van verantwoordelijkheid. Een wereld gedomineerd door irrationeel denken is een wereld van conflict en vernietiging. Een wereld gedomineerd door rationeel denken is een wereld van harmonie en vooruitgang. De geschiedenis toont dat keer op keer aan.

Een blijvende strijd

Kritisch denken – zoals we in hoofdstuk 2 zagen – is geen spontane manier van denken. Het is een gedisciplineerde manier van denken die we moeten aanleren. Net zoals, na de eerste grote opleving van het kritisch denken in de klassieke oudheid, het denken weer wegdeemsterde in dogmatiek gedurende de Middeleeuwen, moeten we ook nu op onze hoede blijven om de verwezenlijkingen van het denken te beschermen (denk bijvoorbeeld aan de mensenrechten die volgden uit de moderne politieke en moraalfilosofie) én de positieve trend door te zetten naar de toekomst. Het is een blijvende strijd.

Kritisch denken, wil ik hier nog toevoegen, is geen typisch Westerse of moderne manier van denken. En het is al zeker geen kille, niet-empatische manier van denken. Het is een manier van denken waar iedereen, ongeacht zijn of haar culturele achtergrond, aan kan deelnemen. Het werd ook ontwikkeld in heel verschillende culturele contexten. Het is een manier van denken die – zoals hierboven aangegeven – vooruitgang met zich brengt (en dat zowel op moreel vlak, als op het vlak van levensstandaard). Wij dragen de verantwoordelijkheid voor het welzijn van het leven op deze planeet en voor de toekomstige generaties, want hun lot ligt in ons handen. En hun lot zal bezegeld worden door de kwaliteit van ons denken. Dát is het belang van kritisch denken.

Samenvatting

Wat is de impact van irrationaliteit op de wereld?

  • Overconfidence kan tot oorlog en financiële crisissen leiden.

  • Religie kan leiden tot groepsconflict en vormt een rem op morele vooruitgang.

Wat is de motor van morele vooruitgang?

Kritisch, rationeel denken

Waarom?

Singer’s escalator of reason on morality:

  • Wanneer we over moraliteit reflecteren dan komen we uit bij gedrag dat veraf staat van het gedrag waarvoor onze morele intuïties zijn geëvolueerd.

  • Volgens Singer gaan we bij reflectie:

    • Onze morele cirkel uitbreiden

    • Ons ontdoen van ongefundeerde intuïtieve aversies (zoals de aversie tegen homoseksualiteit)

Verder Lezen

Comments
0
comment

No comments here

Why not start the discussion?